Persoonlijk bezit is passé, delen rules. De deeleconomie is aan een opmars bezig (zie Vlaanderen bulkt van kleinschalige deelinitiatieven). Geen vijfsterrenhotel meer, maar een privékamer via Airbnb. Geen restaurantbezoek meer, maar een overschotmaaltijd van de buurman via thuisafgehaald.be. Geen eigen auto meer, maar een deelauto on demand. Consumeren op basis van gedeeld gebruik of de prestatie, zonder het product persoonlijk te willen bezitten, heeft de wind in de zeilen. Time Magazine noemde de deeleconomie 'een van de tien ideeën die de wereld zullen veranderen'.
...

Persoonlijk bezit is passé, delen rules. De deeleconomie is aan een opmars bezig (zie Vlaanderen bulkt van kleinschalige deelinitiatieven). Geen vijfsterrenhotel meer, maar een privékamer via Airbnb. Geen restaurantbezoek meer, maar een overschotmaaltijd van de buurman via thuisafgehaald.be. Geen eigen auto meer, maar een deelauto on demand. Consumeren op basis van gedeeld gebruik of de prestatie, zonder het product persoonlijk te willen bezitten, heeft de wind in de zeilen. Time Magazine noemde de deeleconomie 'een van de tien ideeën die de wereld zullen veranderen'. Het gaat om een economie gebaseerd op collaboratieve consumptie. Een auto, fiets, gereedschap, muziek, infrastructuur, machines, een tuin, lege kamers tot zelfs een maaltijd of een koe: in alle domeinen van ons privé- en werkleven is het al mogelijk kennis, producten of ruimte te delen met anderen. Volgens de aanhangers zijn de voordelen legio. Delen bespaart kosten, versterkt het gemeenschapsgevoel en is goed voor de natuur, want er wordt veel minder verspild. Voedsel zelf kweken en delen of dingen samen herstellen, maakt een mens bovendien zelfredzamer. Rachel Botsman en Roo Rogers beschreven het fenomeen voor het eerst in hun boek What's Mine is Yours: The Rise of Collaborative Consumption (2010). Spullen delen, ruilen, weggeven, lenen, swishen of swappen gebeurt natuurlijk al veel langer. In Vlaanderen bestaan organisaties als Taxistop, Samenhuizen en Velt al tientallen jaren. Blijft de vraag: waarom floreert de deeleconomie zo anno 2014? Omdat er nu volwassen technologie beschikbaar is om vlot te delen en te communiceren. "Dankzij technologie kunnen mensen die elkaar totaal niet kennen, zaken met elkaar delen en goede afspraken maken", zegt Barbara Janssens van Netwerk Bewust Verbruiken, dat alle Vlaamse deelinitiatieven bundelt via gedeelddoor.be. "En dankzij technologie kan je ratingsystemen optimaliseren in de deeleconomie. Nadat je hebt gedeeld, kun je een persoon of dienst een waardering geven, zoals bij airbnb." Volgens Janssens is vertrouwen een van de sleutelbegrippen om de deeleconomie te doen slagen. "Mijn ervaring is dat mensen die spullen delen, er meestal heel zorgzaam mee omgaan, soms zorgzamer dan met hun eigen spullen." Verkiezen burgers nu gebruik boven bezit, zoals de aanhangers van de deeleconomie geloven? Is bezit passé? Maar mensen bezitten toch graag? Bezit is status. Bezit is zekerheid. Een eigen huis is de beste investering, zo wordt ons met de paplepel ingegeven. Een chique auto staat mooi op de oprit. Eigenaars staan in de perceptie van Jan Modaal hoger op de sociale ladder dan huurders. Je bent wie je bent door wat je hebt. "Ik merk toch dat jongeren steeds vaker hun identiteit en eigenheid opbouwen door te pionieren in delen", meent Janssens. "Ze onderscheiden zich liever door een vintage kastje op de kop te tikken dan een standaardmeubel te kopen in de IKEA. Door een auto van Cambio te delen ben je hip en heb je oog voor het milieu. En wie toch graag uitpakt met een chique auto, bijvoorbeeld om naar een feestje te gaan, kan een beroep doen op bolides.be (een flexibel autodeelsysteem, waarmee je via een smartphone-app blitse auto's kan bestellen, gebruiken en nadien achterlaten voor de eigen deur, nvdr)." Delen zit dus in het DNA van de jongere generaties. Hebben we iets nodig, dan gooien we de vraag online. We delen al foto's, ideeën, muziek en ervaringen via sociale media. Dat maakt de stap om producten, diensten of infrastructuur te delen, makkelijker. In de deeleconomie regeert de peer-to-peeraanpak. Letterlijk: van gelijke tot gelijke. Voor pionier Michel Bauwens, een Belgische cybereconoom/filosoof die hoge ogen gooit met zijn boek De wereld redden, is open source het sleutelbegrip. Volgens hem is het niet langer logisch kennis en productie af te schermen via patenten en andere intellectuele-eigendomsrechten. Wereldwijd bundelen kleine groepen mensen steeds vaker de krachten om te werken rond waarden die multinationals meestal niet interesseren: privacy, open design, het recht om producten te herstellen enzovoort. Dat leidt volgens Bauwens automatisch tot duurzamere producten, omdat zo'n designer community zich richt op de ontwikkeling van het best mogelijke product. Concepten als planned obsolescence (waarbij het product na een vooraf bepaalde termijn de geest geeft) maken in zo'n systeem veel minder kans. De gemeenschap pikt de old-school-benadering van economie almaar minder. Een reus als Apple, bijvoorbeeld, waakt angstvallig over zijn knowhow. "Je ziet nu al dat het gesloten systeem van Apple wordt gehackt door mensen die gefrustreerd zijn en hun iPhone of iPad zelf willen 'fixen'. Vandaar ook het succes van initiatieven als iFxit (een gratis onlinedienst voor opensourcehandleidingen voor herstellingen, waarvan maandelijks meer dan 3,5 miljoen mensen gebruikmaken, nvdr)", stellen Sam Deckmyn en Peter Stouthuysen. Ze werken allebei voor Plan C, een Vlaams transitienetwerk voor duurzaam materialenbeheer, en volgen de deeleconomie op de voet. Een aantal grote bedrijven raakt langzaam maar zeker doordrongen van het idee dat producten niet altijd eigendom hoeven te worden van consumenten. Ze bieden zogenaamde product-dienstcombinaties (PDC's) aan. In zo'n businessmodel realiseert het bedrijf minstens een gedeelte van de waarde door een aan het product verbonden dienst aan te bieden. Wanneer consumenten gebruik verkiezen boven bezit, wordt het voor bedrijven interessant diensten te verkopen of te leasen in plaats van producten. De producten die nodig zijn voor deze dienst blijven dan eigendom van de producent. Die heeft er dan belang bij zijn producten zo te ontwerpen dat ze een lange levensduur hebben, makkelijk herstelbaar zijn en volledig hergebruikt of gerecycleerd kunnen worden. "Kijk naar de autosector", zegt Peter Stouthuysen. "Daar heb je al een waaier aan product-dienstcombinaties. Koop je zelf een auto, dan is er bij de producent geen enkele incentive om dat product zo lang mogelijk te laten 'leven'. Dat verandert al een beetje bij autodeelsystemen als Cambio, die een autovloot aanbieden. Indien ze nog groter zouden worden, zouden ze autoproducenten kunnen beïnvloeden. Maar vandaag zie je dat producenten zoals BMW zelf als een soort Cambio beginnen op te treden. Met DriveNow, het autodeelconcept van BMW, kies je een auto in functie van de rit en mobiliteitsbehoefte. Op dat moment verandert het businessmodel van de producent, want hij wil zo veel mogelijk geld halen uit zo weinig mogelijk leaseauto's. Het wordt belangrijk de auto duurzamer te ontwerpen, zodat hij langer meegaat en nadien ook gemakkelijker recycleerbaar is. Zo evolueert BMW van autofabrikant naar aanbieder van mobiliteit." We zien die trend ook in andere sectoren. Philips verkoopt licht(uren) in plaats van lampen. In de chemiesector is chemical leasing veelbelovend. Een bedrijf koopt de chemicaliën niet langer, maar betaalt alleen voor de functie of het gebruik ervan. De producent blijft dus eigenaar van de chemicaliën en heeft er alle belang bij het product zo efficiënt mogelijk in te zetten en te recycleren, zodat hij het nadien aan een nieuwe klant kan verkopen. "Op die manier evolueren we naar een circulaire economie met zo weinig mogelijk verspilling en maximaal hergebruik van grondstoffen", meent Stouthuysen. Hij ziet twee grote drempels die de grote doorbraak van de circulaire economie, waarvan de deeleconomie een onderdeel is, verhinderen. "Je moet op zoek naar andere financieringsmodellen, want het geld komt trager binnen en je moet als bedrijf meer risico's nemen. Bovendien worden de contracten complexer, want je blijft altijd in partnership met je klant." Samen delen om kosten te reduceren is nobel en duurzaam, maar zodra geld verdiend wordt met deelinitiatieven, worden de zaken complexer en raakt het deelverhaal soms ondergesneeuwd. Drie jaar geleden was Airbnb nog een sympathiek idee om jongeren op een goedkope manier bij elkaar te laten logeren. Vandaag is het een bedrijf dat grof geld verdient, net als Uber en andere buitenlandse deelinitiatieven (zie grafiek De deeleconomie wordt big business). Op zich is er niets mis met geld verdienen via deelinitiatieven, maar in de deeleconomie blijkt de scheidingslijn met de zwarte economie vaak flinterdun. Als deelorganisaties wettelijke regels omzeilen waar bestaande spelers zich aan moeten houden, komt de eerlijke concurrentie in het gedrang. "De deeleconomie is soms het trendy maken van zwarte economie", zegt Angelo Meuleman, projectverantwoordelijke bij Taxistop (dat onder meer Cambio oprichtte in 2002) en al jaren aanhanger van de deeleconomie. "Overheden moeten de deeleconomie omarmen, maar tegelijkertijd er met een kritisch oog naar kijken." Dat begint hier en daar te gebeuren. Berlijn verbood op 14 augustus Uber omdat het onvoldoende kon garanderen dat passagiers voldoende verzekerd zijn in personenwagens die als taxi fungeren. Volgens Meuleman wordt de term deeleconomie internationaal vaak misbruikt. "In wereldsteden als Parijs en Londen overwegen gewiekste burgers al hun appartement te verhuren via airbnb, liever dan het te verhuren via de lokale woonmarkt. Zo kunnen ze taksen vermijden. Dat heeft nog heel weinig te maken met delen." Bedrijven als Airbnb en Uber pakken graag uit met sharing en gemeenschapszin, maar ze zijn hypercommerciële organisaties geworden. Eric Schneiderman, procureur-generaal in New York, voert een onderzoek naar de handelspraktijken van Airbnb. Hij schat dat 37 procent van de omzet van Airbnb illegaal tot stand komt via 'schaduwhoteliers', die soms tientallen appartementen tegelijk aanbieden, het hele jaar door. De Vlaamse deelinitiatieven zijn veel kleinschaliger en nog grotendeels eerder doel- dan winstgedreven. De keerzijde van de medaille is dat te weinig Vlaamse deelinitiatieven doorgroeien tot duurzame verdienmodellen. Ze teren vooral op vrijwilligers, en zien zich op een bepaald moment geconfronteerd met een gebrek aan cash en middelen. Dat is ook de uitdaging waarmee Timelab in Gent het voorbije jaar kampte. Timelab is een soort stadslabo waar creatieve ondernemers, burgers met een ingenieursgeest en kunstenaars op vrijwillige basis samen dingen maken via gedeelde machines en infrastructuur. In het labo staan ingenieuze machines, van 3D-printers over een lasersnijder tot een houtfrees, die Timelab aankocht en deels zelf maakte. Multidisciplinaire teams pakken er problemen aan die ze detecteren in de maatschappij, meestal in een stedelijke context. Cöordinator Evi Swinnen: "Als we een startinjectie krijgen van het Instituut voor Wetenschap en Technologie willen we binnenkort een meettoestel maken voor fijnstofmeting op de fiets. De bedoeling is toestellen te maken die in een zelfbouwkit worden aangeboden, zodat burgers ze zelf heel eenvoudig in elkaar kunnen zetten. We willen die in een eerste fase via workshops aanbieden aan 300 mensen. De kit zal ook smart textile bevatten, waarmee fietsers hun fijnstofmeting meteen visualiseren via een kledingstuk. Citizen science dus." Maar zonder voldoende cash en partnerships is het zelfmoord om zich aan zo'n project te wagen, dat beseft ook Evi Swinnen: "Een groot bedrijf haakte af, omdat het de data gesloten wou houden. Wij willen net de kennis en vrijgekomen data op neutraal terrein houden, waarbij burgers, bedrijven en overheden samen participeren." Evi Swinnen hamert erop dat het stadslabo nog veel meer de dialoog wil aangaan met bedrijven, omdat die er als partner ook bij te winnen hebben. "Schilder ons vooral niet af als een bende geitenwollensokkenhobbyisten die maar wat aanprutsen met subsidies. Hoewel het merendeel van onze werkingsmiddelen uit subsidies komt, proberen we er heel bewust mee om te gaan en de impact ervan te maximaliseren. We ontwikkelden al energiezuinige zonnelampjes die nu boomen in heel Afrika, en een van onze makers ontwierp een gin op basis van onkruid die hij binnenkort op de markt brengt." Onlangs transformeerde Timelab van een vzw tot een coöperatieve vennootschap met sociaal oogmerk. "Nu kunnen ook bedrijven coöperant worden", verklaart Swinnen. "Uiteindelijk willen we vooral nuttige dingen maken die we op de markt kunnen brengen. Wij maken in deze open ontwikkelomgeving nieuwe dingen, die onze coöperanten nadien kunnen valoriseren. Dankzij de nieuwe structuur willen we nu een stukje return om ons labo draaiende te houden." De deeleconomie groeit dus van onderuit, vanuit de gemeenschap. Ze stimuleert nieuwe businessmodellen die de verhoudingen tussen consument en producent grondig zullen veranderen. Ze is ontwrichtend in die zin dat ze bestaande structuren en beroepen onder druk zet. "Tussenschakels, die vroeger de informatie linkten tussen aanbieder en vrager, verdwijnen door nieuwe platformen en deelinitiatieven. Denk maar aan de klassieke reisagent of de taxidienst", zegt Peter Stouthuysen. De deeleconomie heeft ook de tijdsgeest mee, want iedereen beseft dat een eindeloze groei op een eindige planeet onmogelijk is en we dus efficiënt moeten omspringen met grondstoffen. De financiële crisis bleek de ideale katalysator om vele burgers te overtuigen op een andere manier te consumeren. Maar voorbeelden uit het buitenland tonen aan dat de deeleconomie zichzelf in de staart kan bijten als ze te ver afdwaalt van haar maatschappelijke missie om economische kortetermijnbelangen te dienen. SAM DE KEGELVoorbeelden uit het buitenland tonen aan dat de deeleconomie zichzelf in de staart kan bijten "De deeleconomie is soms het trendy maken van zwarte economie" Angelo Meuleman, Taxistop "We evolueren naar een circulaire economie met zo weinig mogelijk verspilling en maximaal hergebruik van grondstoffen" Peter Stouthuysen, Plan C