Tussen 1995 en het derde kwartaal van 2005 bedroeg de trendgroei van de Italiaanse economie 1,5 %. Tussen 2000 en het derde kwartaal van 2005 viel die terug op amper 0,7 %. Daarmee kwam Italië, nog net voor het al even teleurstellende Duitsland, onderaan van de eurozone. De groei van de productie per uur in Italië bedroeg amper 0,6 % per jaar tussen 1995 en 2005, en min 0,3 % tussen 2000 en 2005. Dat is de op één na slechtste prestatie in de eurozone, na Spanje. Ze is bovendien veel slechter dan die van Duitsland, dat een productiviteitsgroei kende van 1,2 % per jaar in de periode 2000-2005.
...

Tussen 1995 en het derde kwartaal van 2005 bedroeg de trendgroei van de Italiaanse economie 1,5 %. Tussen 2000 en het derde kwartaal van 2005 viel die terug op amper 0,7 %. Daarmee kwam Italië, nog net voor het al even teleurstellende Duitsland, onderaan van de eurozone. De groei van de productie per uur in Italië bedroeg amper 0,6 % per jaar tussen 1995 en 2005, en min 0,3 % tussen 2000 en 2005. Dat is de op één na slechtste prestatie in de eurozone, na Spanje. Ze is bovendien veel slechter dan die van Duitsland, dat een productiviteitsgroei kende van 1,2 % per jaar in de periode 2000-2005. Volgens het jongste rapport van de Europese Economische Adviesgroep boekte de totale factorproductiviteit in Italië (output per uur, rekening houdend met de aangroei van de productiefactoren arbeid en kapitaal) 0,2 % per jaar tussen 1995 en 2004 en min 1,2 % per jaar in de periode 2000-2004, de slechtste prestatie in de hele eurozone. Tussen januari 1999, het moment dat de euro ingevoerd werd, en februari 2006 vertoonde de Italiaanse index van de consumptieprijzen een trendgroei van 2,5 % per jaar. Dat was 1 procentpunt meer dan in Duitsland en 0,3 procentpunt boven het gemiddelde van de eurozone. Volgens het Internationaal Monetair Fonds steeg de reële wisselkoers, gebaseerd op de relatieve arbeidskosten, tussen het eerste kwartaal van 1999 en het derde kwart van 2005 met 16 % boven het gemiddelde van de eurozone. Tijdens dezelfde periode deprecieerde de reële wisselkoers van Duitsland met 13 %. De Italiaanse export is ook kwetsbaarder voor lagekostenproducenten dan die van de andere grote Europese economieën. Deels ten gevolge daarvan en deels omdat de kostenconcurrentiepositie achteruitboert, heeft de Italiaanse goederenexport wereldwijd marktaandeel verloren. Het aandeel daalde van 4,1 % van de wereldexport in 1999 naar 3,8 % in 2004, terwijl dat van Duitsland tijdens dezelfde periode gestegen is van 9,6 % naar 10,1 %. Trage groei en gebrek aan bestedingsdiscipline hebben geleid tot een uitgesproken verslechtering van de primaire begrotingsbalans (de balans vóór interesten) van een overschot van 5,3 % van het bbp in 2000 naar - in het beste geval - een evenwicht vandaag. Volgens de Oeso moet het cyclisch gecorrigeerd (of structureel) budgettair tekort dit jaar begroot worden op 3,6 % van het bbp, terwijl de ratio van de bruto-overheidsschuld ten opzichte van het bbp (125 % van het bbp eind 2005) al sinds 2003 aan het stijgen is. Aanwijzingen voor structurele hervormingen zijn schaars. De regulering van de productmarkten wordt tot de strengste in de EU van voor de uitbreiding gerekend, al is de wetgeving op de bescherming van de werkgelegenheid niet meer zo stringent. Op een onlangs door het Centrum voor Europese Hervormingen uitgebrachte Lissabonscorekaart komt Italië onder de 25 EU-leden plus Bulgarije en Roemenië pas op de 23ste plaats. Kortom, Italië is de zieke man van West-Europa. Erger nog: in tegenstelling tot Duitsland, heeft de regering noch de bedrijfswereld de periode van trage groei en toenemende crisis aangegrepen om de concurrentiepositie te verbeteren. Er wachten grote gevaren. Op de een of andere manier moet Italië aan internationale concurrentiekracht winnen zonder te vervallen in een langdurige en diepe recessie. Die zou immers niet alleen politiek destabiliserend werken, maar haast zeker ook de budgettaire positie verzwakken. Dat zou kunnen leiden tot uitdijende spreads op de interestvoeten, wat op zijn beurt een vicieuze schuldenspiraal kan creëren voor de Italiaanse openbare sector. Toch hoeft er niet gewanhoopt te worden, want zoals Mario Draghi, de nieuwe gouverneur van de Banca d'Italia op 4 maart 2006 verklaarde: "De structurele achterstand van de Italiaanse economie is geen teken van onafwendbare achteruitgang. Hij is de uiting van problemen die diep en ernstig zijn, maar die kunnen overwonnen worden. We moeten duurzame oplossingen bedenken en die duidelijk uitleggen aan het publiek." Vraag is of Berlusconi of Prodi tegen die taak opgewassen zijn. © Financial Times/ Martin Wolf