Ruim een jaar geleden verraste Philip Roth met Amerikaanse pastorale, waarin hij de maskers afrukt van het brave Amerika. Hij kerft onder de huid, laat zien hoe het kwade en de frustraties er kiemen. Uiteindelijk zet hij een verhaal met een oerkracht neer: het verlies van de onschuld en de verdrijving uit het paradijs. Die parabel wordt nog duidelijker belicht in Ik was getrouwd met een communist. Deze keer focust Roth op de heksen...

Ruim een jaar geleden verraste Philip Roth met Amerikaanse pastorale, waarin hij de maskers afrukt van het brave Amerika. Hij kerft onder de huid, laat zien hoe het kwade en de frustraties er kiemen. Uiteindelijk zet hij een verhaal met een oerkracht neer: het verlies van de onschuld en de verdrijving uit het paradijs. Die parabel wordt nog duidelijker belicht in Ik was getrouwd met een communist. Deze keer focust Roth op de heksenjacht op (vermeende) communisten in de jaren vijftig. De jacht werd met verbetenheid geleid door senator Joe McCarthy en diens ambitieuze jonge luitenant Richard Nixon. Alweer voert Roth zijn alter ego Nathan Zuckerman op. Hij is echter niet het hoofdpersonage, maar slechts aanleiding tot een terugblik op het leven van de populaire hoorspelacteur Iron Rinn, die lang de personificatie van de Amerikaanse Droom uitbeeldt: de analfabeet schopte het van slotengraver tot Bekende en Rijke Amerikaan. Hij trouwt met een al even populaire actrice, maar na een ruzie neemt zij wraak door een roddeljournalist in te lichten over Irons communistische overtuiging. De droom spat uiteen. De vedette belandt zowat letterlijk weer in de sloot. Zoals wel vaker bij Roth, lijkt het boek ook een gedeeltelijke afspiegeling van zijn leven. In 1996 publiceerde zijn ex-vrouw Claire Bloom immers Leaving a Doll's House, waarin de actrice Roth afschildert als een onverbeterlijke neuroticus én een al even notoire schuinsmarcheerder. Hij probeerde onder meer de beste vriendin van zijn stiefdochter in te palmen. Het doet denken aan de amoureuze perikelen en schandalitis van cineast Woody Allen, ook al een rijpere telg uit de scène van vrijgevochten New Yorkse joodse kunstenaars. Roths aanpak heeft overigens een hoger Allen-gehalte dan op het eerste gezicht lijkt. Onder zijn bitterheid en esbattementen krioelt het ook van de ironie. Is Roths nieuwe dan gewoon een antwoord op de aantijgingen van zijn ex? Daarvoor is Roth literair te fijnbesnaard. Hij goochelt maar wat graag met autobiografische elementen, maar hij laat het masker nooit echt vallen. Dit spel met herkenning wendt hij alleen aan om zijn metaliteraire vragen, zijn engagement en parabels te stofferen. Ook nu weer gaat het finaal om het verlies van onschuld en vertrouwen in de maatschappij, maar nog meer in de Grote Verhalen, in de predikers en ideologen van allerhande pluimage. Ze krijgen allemaal vegen uit de pan, zowel rechts, links als middenveld. Roth laat zich niet inzuilen. Meulenhoff, 383 blz., 900 fr. ISBN 9029058447.LUC DE DECKER