Het Centre Pompidou in Parijs presenteert een grote tentoonstelling over de revolutionaire Russische kunstenaars aan het begin van de twintigste eeuw. Dat is riskant, gezien de problemen met de authenticiteit en de herkomst van zulke werken, zoals onlangs nog bleek met de perikelen in het Gentse Museu...

Het Centre Pompidou in Parijs presenteert een grote tentoonstelling over de revolutionaire Russische kunstenaars aan het begin van de twintigste eeuw. Dat is riskant, gezien de problemen met de authenticiteit en de herkomst van zulke werken, zoals onlangs nog bleek met de perikelen in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. Op de kunstmarkt zijn de Russen uit die periode al een poosje niet zo liquide: er kleeft te veel een schandaalsfeer aan. De expo in Parijs focust op drie tenoren van de school van Vitebsk: Kasimir Malevitsj, El Lissitsky en Marc Chagall. Chagall, die in Vitebsk is geboren, richtte de school in 1918 op, als wederdienst omdat hij als Jood Russisch burger kon worden. De academie werd een broedplaats voor revolutionaire kunst. Hij nodigde zijn vriend El Lissitsky uit om er les te komen geven in grafiek, druktechnieken en architectuur. Via hem kwam ook Malevitsj naar Vitebsk. Samen doceerden ze hun ideeën over het suprematisme: een kunstvorm, die met abstracte geometrie en wiskunde een totale wereldorde wilde scheppen. Voor Chagall was het gevolg dat zijn lyrische, kleurrijke stijl uit de mode raakte. Hij ruilde de school in 1920 voor Parijs. Drie jaar later verloor de academie zijn revolutionaire spirit, want de Sovjetregering eiste artistieke propaganda voor haar regime. Het betekende het einde van de invloedssfeer van Vitebsk, dat zo'n impact had op de moderne kunst.