Eurostat, de officiële dienst voor statistiek van de Europese Unie, signaleert dat China met een marktaandeel van 16,9 procent wereldleider is geworden in de export van hoogtechnologische producten. Volgens China- en Japan-kenner Eamonn Fingleton, auteur van In the Jaws of the Dragon, beseffen we in het westen niet wat er op ons afkomt: "In plaats van een verhoopte verwestering van de rest van de wereld is het effect van de globalisering een confusionalisering van westerse bedrijven."
...

Eurostat, de officiële dienst voor statistiek van de Europese Unie, signaleert dat China met een marktaandeel van 16,9 procent wereldleider is geworden in de export van hoogtechnologische producten. Volgens China- en Japan-kenner Eamonn Fingleton, auteur van In the Jaws of the Dragon, beseffen we in het westen niet wat er op ons afkomt: "In plaats van een verhoopte verwestering van de rest van de wereld is het effect van de globalisering een confusionalisering van westerse bedrijven." Fingleton bedoelt dat de staatsgestuurde economieën van Oost-Azië hun succes bouwen op goed uitgekiende transfers van technologie. Westerse bedrijven worden stelselmatig met elkaar in competitie gesteld en geven hun spitstechnologie vrij in de hoop - of illusie - een deel van de Chinese markt te veroveren. In The China Code gebruikt Frank Sieren hiervoor het concept concubine economy. Een typisch voorbeeld is hoe China door westerse autoproducenten tegen elkaar uit te spelen de grootste autofabrikant ter wereld wordt; maar ook hoe Boeing en Airbus in versneld tempo een Chinese luchtvaartindustrie mee aan het klaarstomen zijn. Fingleton merkt op dat ondanks het lidmaatschap van de Wereldhandelsorganisatie (WHO) westerse automerken niet aan de bak komen in Japan of Zuid-Korea. "Renault, nochtans hoofdaandeelhouder van Nissan, staat nergens in Japan", hij betwijfelt dat het in China anders zal zijn. "Integendeel, GM, Volkswagen, BMW hebben zich helemaal moeten plooien naar de eisen van hun Chinese partner", werpt Frank Sieren op. Die trend zet zich door in andere industriële sectoren. In 2005 trok Peking voor zijn nationaal onderzoeksprogramma in biotechnologie een half miljard dollar uit. China wil marktleider worden in genetisch gemanipuleerde gewassen als katoen, tomaten, pepers en petuniabloemen. Tegen 2015 ambieert Peking het wereldleiderschap in micro-elektronica. China volgt hierbij het Japanse keretsu-model, dat wel degelijk overeind blijft (kruisparticipaties in topbedrijven en banken, een pad dat Zuid-Korea, Taiwan, Singapore eveneens opgingen). Aangevuld met eigen wetenschappelijk onderzoek beklimmen ze snel de technologische ladder. Japan achterna, dat zich ondanks zijn lage economische groei wist te positioneren als wereldleider in tal van topniches. "Zo zal de Boeing 787 meer een Japans toestel zijn dan een Amerikaans", zegt Fingleton. "De VS en Europa zijn afhankelijk van Japan voor de meest geavanceerde microprocessoren; met de helft van de bevolking produceert Japan meer en betere auto's dan de VS. China gaat diezelfde weg op. Een derde van alle computers en een kwart van alle gsm's of staal komt uit China." De overige groeilanden staan evenmin stil. "Alleen in 2006 behaalden drie miljoen Indiërs en vier miljoen Chinezen een universitaire graad. Het jaar voordien waren er vier keer meer afgestudeerden aan universiteiten in Oost-Azië dan in Europa; in de VS gaat een vierde van alle doctoraten in wetenschap en engineering naar Chinezen", zegt Steingart. Door technologieoverdracht realiseren de groeilanden een productiviteitswinst van gemiddeld 6 procent per jaar.