Gaat onze wereld erop vooruit? U zult waarschijnlijk antwoorden met een overtuigd 'neen'. Aanslagen in Nice, gevolgd door de zedenpolitie die optreedt op het strand tegen mensen die te veel kleren dragen, terreurdreiging, uitroeiing van zeldzame dieren, eindeloze bosbranden, volkerenmoorden, ontaarde jeugd, corrupte en incompetente politici. We gaan er niet op vooruit. En dat betekent automatisch: vroeger was het beter, op zovele gebieden.
...

Gaat onze wereld erop vooruit? U zult waarschijnlijk antwoorden met een overtuigd 'neen'. Aanslagen in Nice, gevolgd door de zedenpolitie die optreedt op het strand tegen mensen die te veel kleren dragen, terreurdreiging, uitroeiing van zeldzame dieren, eindeloze bosbranden, volkerenmoorden, ontaarde jeugd, corrupte en incompetente politici. We gaan er niet op vooruit. En dat betekent automatisch: vroeger was het beter, op zovele gebieden. Bij zo'n consensus moet je durven een boek te schrijven dat net het omgekeerde beweert. Joan Norberg is zo'n durver. Zijn boek heeft als centrale thema: vooruitgang, tien redenen om uit te kijken naar de toekomst. Norberg werkt voor een onafhankelijke denktank, het Cato Instituut in Washington. Die promoot individuele vrijheid, beperkte regeringsinterventie en vrede. Hun denkers geloven in sociale en economische vrijheid. Hun vijanden: al wie op Obama heeft gestemd, communisten, dictators. Ze krijgen geen subsidies van de overheid, en leven van giften van individuen, die deze uiteraard in volle vrijheid schenken. Met een budget van 30 miljoen dollar kan het veel denkers aan het werk zetten. De feiten en cijfers die Norberg aanhaalt, zijn ronduit indrukwekkend. Onze wereld wordt almaar rijker. En dat proces is al honderden jaren bezig. Norberg merkt op dat Karl Marx de ondergang van de kapitalistische economie voorspelde. Maar de gemiddelde Brit was drie keer rijker toen Marx stierf dan toen hij 65 jaar vroeger werd geboren. Mijn grootmoeder vertelde nog hoeveel honger er geleden werd in het gezin waar ze opgroeide. Rond 1910 kende de Vlaamse bevolking armoede op een schaal die we nu vergelijken met de allerarmste landen ter wereld. Als de pastoor mee aan tafel zat, was het codewoord: kinderen van de Heilige Maria, eet maar goed. Dan wisten de kinderen van mijn overgrootmoeder dat ze plots geen trek mochten hebben, zodat er wat restte voor mijnheer pastoor. Vroeger was het beter. Maar we vergeten dat een mislukte aardappeloogst in Ierland op grote schaal de hongerdood betekende. Rond 1950 was ongeveer 45 procent van de wereldbevolking ondervoed. Nu is dat nog 11 procent. Vooral de vooruitgang in Azië is spectaculair. Sinds 1970 is het percentage er gezakt van 40 naar 12 procent. Uiteraard zien we hier een fenomenaal China-effect. Rond 1980 leefde ongeveer 90 procent der Chinezen in extreme armoede. Nu nog 10 procent. Levensverwachting, gebruik van geweld, kunnen lezen en schrijven, welke parameter je ook gebruikt om onze huidige wereld met 'vroeger' te vergelijken, we gaan er gemiddeld al eeuwen spectaculair op vooruit. Denk aan de rechten van de vrouw, het lot van religieuze minderheden of van homo's. Case closed zou je dan denken. Toch denken we bijna allemaal dat het met onze wereld de verkeerde kant uitgaat. Hoe kan dat? De verklaring is vrij eenvoudig. Experts in besliskunde noemen dat de 'beschikbaarheidsfout'. We krijgen het slechte nieuws, hoe statistisch onbelangrijk ook, op een gouden schoteltje aangereikt. Maar iets 'statistisch' raakt ons niet. Ons brein wil iets anders. Als er een dorp in China van de kaart wordt geveegd door een modderstroom, krijgen we alle details te zien. We kijken gefascineerd naar een reportage over het lot van vrouwen in Saudi-Arabië. We protesteren tegen het lot van homo's in Oeganda. Tegenover die ene reportage zouden er vijftig kunnen staan die aantonen hoe sterk de situatie is verbeterd in zovele landen. Maar dat is oud nieuws. Het slechte nieuws, zorgvuldig verpakt in journalistieke verhaalmomenten, raakt ons emotionele brein: onaanvaardbaar, wat een schande, hoe wreed. Als er één kindje sterft door de lafheid van een brandweerman, beginnen we te twijfelen aan de morele standaarden van het gehele korps. We weten niets over de duizend kinderen die niet hoefden gered te worden door knappe brandpreventie en door een goed getraind korps. Over het 'vermoorde' kindje weten we alles, we kennen zijn naam, hebben de wenende ouders gezien, en krijgen alle details over de rechtszaak. Is het dus eens te meer de schuld van de pers? Geldt ook hier 'vroeger was het beter'? Doe zelf even de test: waren we honderd jaar geleden beter, objectiever, sneller geïnformeerd dan nu? Zelfs in ons oordeel over de pers maken we de beschikbaarheidsfout. De auteur is professor-emeritus aan de Vlerick Business School. MARC BUELENSWelke parameter je ook gebruikt om onze huidige wereld met 'vroeger' te vergelijken, we gaan er gemiddeld al eeuwen spectaculair op vooruit.