Minister van Financiën Vincent van Peteghem (CD&V) stelde in de aanloop naar de begrotingsgesprekken dat het (para)fiscaal gunstregime van professionele sporters op de schop moet, want "het valt niet meer uit te leggen dat een poetsvrouw meer sociale bijdragen moet betalen dan een voetballer die miljoenen verdient".
...

Minister van Financiën Vincent van Peteghem (CD&V) stelde in de aanloop naar de begrotingsgesprekken dat het (para)fiscaal gunstregime van professionele sporters op de schop moet, want "het valt niet meer uit te leggen dat een poetsvrouw meer sociale bijdragen moet betalen dan een voetballer die miljoenen verdient". Op zich heeft de minister een punt. In het huidige gunstregime betalen voetballers, net zoals iedere andere werknemer, 13,07 procent sociale bijdragen op hun loon. Alleen worden de bijdragen voor voetballers en voor andere sporters in loondienst niet op het echte brutoloon berekend, maar op een fictief brutoloon van maximaal 2425 euro per maand. Het deel van het brutoloon boven dat grensbedrag wordt niet aan sociale bijdragen onderworpen. Bovendien moet de voetbalclub 80 procent van de bedrijfsvoorheffing op dat loon niet doorstorten aan de fiscus. Is dat een zeer favorabel gunstregime? Absoluut. De kritiek is terecht. Ook in de sport groeit het besef dat dit stelsel hervormd moet worden. Maar in ons fiscaal en sociaalrechtelijk stelsel zijn er nog tal van gelijkaardige gunstregimes, die blijkbaar niet ter discussie worden gesteld. Denk aan zelfstandigen en bedrijfsleiders die geen sociale bijdragen meer betalen op het bruto-inkomen boven 89.000 euro. Weet dat de best betaalde voetballer in België niet eens evenveel verdient als de top tien van de best betaalde bedrijfsleiders in België. Waarom wordt enkel het parafiscaal sportstatuut aan de kaak gesteld? En de regeling van de 80 procentvrijstelling van de bedrijfsvoorheffing voor professionele sporters geldt evenzeer voor wetenschappelijk onderzoekers. Ook daarover worden geen kritische vragen gesteld. Bovendien blijkt uit de maatschappelijke debatten dat de kritiek op het (para)fiscaal sportstatuut vooral komt van politici, academici en journalisten. Als we de poetsvrouw als maatstaf moeten nemen, dan moeten we ook toegeven dat politici, academici en journalisten eveneens genieten van bijzondere fiscale voordelen waar de poetsvrouw geen toegang toe heeft. Zo krijgen de 475 parlementsleden die ons land rijk is een belastingvrije onkostenvergoeding van 2173 euro. Voor alle duidelijkheid: dat is per maand, niet per jaar. Dat kost de belastingbetaler jaarlijks 12,4 miljoen euro. Gelet op het feit dat het gaat om een belastingvrije vergoeding is er ook geen enkel fiscaal terugverdieneffect voor de maatschappij. Op academisch gebied bestaat het bijzonder fiscaal statuut voor wetenschappelijk onderzoekers. Werkgevers uit de privésector en de kennisinstellingen worden vrijgesteld om 80 procent van de bedrijfsvoorheffing op de lonen van wetenschappelijk onderzoekers die zij tewerkstellen door te storten aan de fiscus, net zoals de werkgevers van betaalde sportbeoefenaars. Uit een rapport van de Hoge Raad van Financiën blijkt dat de budgettaire kostprijs van die maatregel liefst 938 miljoen euro bedraagt, tegenover 97 miljoen euro voor de sport. Journalisten kunnen genieten van het bijzonder fiscaal statuut van de auteursrechten. Ook academici kunnen van dat stelsel genieten voor hun wetenschappelijke publicaties. Ook dat systeem heeft met een kostprijs van 60 miljoen euro een niet te onderschatten impact op de begroting. De discussie over de hervorming van het (para)fiscaal statuut van de sport is een mooi voorbeeld van hoe het debat wordt gestuurd en hoe er vooral 'naar de ander' wordt gekeken. Een grote fiscale en sociale hervorming bereikt men echter niet door enkel uit te pakken met een paar symbooltrofeeën. Een echte hervorming vereist een grondig debat over de fundamenten van het fiscaal en sociaal systeem waarbij alle gunstregimes ter discussie worden gesteld.