De regering-Leterme I zit in het zadel. In de media krijgt deze nieuwe federale regering er behoorlijk van langs, vooral over het gebrek aan bereidheid tot het nemen van moeilijke beslissingen. Hoewel die kritiek soms wat al te snel en te gemakkelijk geformuleerd wordt, kan men er toch niet aan voorbij dat Leterme I inderdaad geen al te coherente en daadkrachtige indruk maakt. Meer nog, om de haverklap weerklinkt de vrees dat door de regionale verkiezingen van binnen ruim een jaar, deze regering eigenlijk vleugellam moet proberen van de grond te komen. Zelfs met de beste bedoelingen lukt zoiets niet.
...

De regering-Leterme I zit in het zadel. In de media krijgt deze nieuwe federale regering er behoorlijk van langs, vooral over het gebrek aan bereidheid tot het nemen van moeilijke beslissingen. Hoewel die kritiek soms wat al te snel en te gemakkelijk geformuleerd wordt, kan men er toch niet aan voorbij dat Leterme I inderdaad geen al te coherente en daadkrachtige indruk maakt. Meer nog, om de haverklap weerklinkt de vrees dat door de regionale verkiezingen van binnen ruim een jaar, deze regering eigenlijk vleugellam moet proberen van de grond te komen. Zelfs met de beste bedoelingen lukt zoiets niet. De voorbije maanden toonden aan dat het gebrek aan een regering niet direct desastreuze maatschappelijke gevolgen hoeft te hebben. Maar regeringsafwezigheid kan uiteraard niet eindeloos volgehouden worden. Met in de achtergrond een diepsnijdende internationale financiële crisis en een snel versomberend conjunctureel klimaat, begint voor de sociaaleconomische problematiek waar ons land voor staat, de tijd stilaan te dringen. In minstens twee dossiers is de term topprioriteit van toepassing. Het eerste daarvan is de begroting die, zo lijkt steeds duidelijker, enkel nog in evenwicht kan worden gehouden met het kunst- en vliegwerk dat zo eigen was aan Paars. Als de economie echt stil zou vallen, zal deze begrotingsproblematiek enkel maar acuter worden. Het tweede grote dossier dat dringend aandacht vereist, betreft de internationale concurrentiepositie van onze ondernemingen. Zeker met sociale verkiezingen voor de deur reageren de vakorganisaties furieus, maar in het verhaal van onze internationale concurrentiepositie blijven onze relatieve loonkosten een centrale plaats op- eisen. Met een inflatie die momenteel op jaarbasis tegen 4,4 % voortholt (de gezondheidsindex zit aan een stijgingsritme van 3,9 %), dreigt hier een serieus probleem, zelfs als de inflatie de komende maanden terug wat mildert. Ons automatisch loon- indexeringmechanisme zorgt er immers voor dat zelfs een tijdelijke inflatieopstoot niet 'verloren' gaat bij de loonsontwikkeling. Daardoor kan een zelfvoedende negatieve spiraal op het vlak van inflatie ontstaan. Volgens de jongste ramingen van de OESO zullen de loonkosten per werknemer in 2007 en 2008 - de periode van het lopende interprofessioneel akkoord - in de drie buurlanden toenemen met 5,8 %; weliswaar nog te corrigeren voor verschillen in arbeidstijd. Alleen in 2007 bedroeg die stijging in België al 2,5 %. Dat betekent dat de resterende marge in 2008 nagenoeg zeker zal worden opgepeuzeld, of zelfs worden overschreden, door de loonindexering alleen. In een logica die naar sociale verkiezingen toe best te begrijpen is, maar daarom zeker nog niet goed te keuren valt, eisen de vakbonden substan- tiële loonsverhogingen bovenop de indexaanpassingen. Ontsporen onze loonkosten ten aanzien van de buurlanden met 1 procentpunt dan praten we over zowat 30.000 jobs die op de tocht komen, zo berekende de Leuvense hoogleraar Joep Konings voor de denktank VKW Metena. Bovendien kan het ontstaan van een deficit op onze handelsbalans ook niet los gezien worden van onze relatieve loonkosten. Bedenkingen over de stijging van de euro en de zware rekening van de olie-import zijn in deze context uiteraard terecht, maar gaan inzake dat handelstekort niet naar de kern van de zaak. Dat is immers het continue verlies aan marktaandeel van België binnen de eurozone en ten aanzien van de andere eurolidstaten. Ontsporing van de relatieve loonkosten is in die context hoe dan ook een belangwekkende factor. Redenen te over dus om voor de sociaaleconomische problematiek de verwachting te koesteren dat Leterme I met ferme maatregelen zal uitpakken. We durven echter sterk te betwijfelen dat het zover zal komen. Als het toch anders uitdraait, dan bij deze al onze excuses ten aanzien van Yves Leterme en zijn ploeg. Waar komt ons pessimisme over de dadendrang van Leterme I vandaan? Van het gegeven dat zeker de federale politieke machine pas echt op gang komt als er zware druk is. In het verleden ontstond die druk in so- ciaaleconomische materies steevast via het kanaal van crisissignalen rond de positie van de Belgische frank. Zo'n typisch crisissignaal bestond erin dat de rentevoeten op korte termijn stevig opveerden om de pariteit van de frank ten aanzien van, bijvoorbeeld, de mark en de gulden te verdedigen. Niet alleen weegt een hoog rentepeil op de economische activiteit, ze creëert ook snel budgettaire problemen. Het hoeft uiteraard geen betoog dat de Belgische frank vandaag niet meer is. Hoeveel voordelen er voor het overige ook aan het eurogegeven mogen kleven, voor de functionering van de Belgische federale politiek moeten we, tot bewijs van het tegendeel, concluderen dat de euro zich steeds meer profileert als een vloek. Er kan immers maar bitter weinig evidentie aangedragen worden dat onze huidige generatie politici via verhoogde zelfdiscipline kunnen goedmaken wat er aan beleidsdruk is weggevallen door de verdwijning van de Belgische frank. Last but not least is er het gegeven dat vermits de frank niet bestaat, hij ook niet meer gedevalueerd kan worden. De iets ouderen onder ons herinneren zich zeer levendig dat we begin 1982 op die manier onze totaal uit de hand gelopen relatieve loonkosten met één pennentrek grotendeels konden corrigeren. Nu dus niet meer. (T) Johan Van Overtveldt - de auteur IS ALGEMEEN DIRECTEUR VAN DE WERKGEVERSORGANISATIE VKW.