België is een land waar massaal gegevens voorhanden zijn over de gezondheidszorg. Het probleem is echter: er wordt weinig gedaan met die cijfers. Het is een van de kritieken die het Rekenhof aanhaalt in een recent rapport over de uitgavenbeheersing in de ziekteverzekering. Eigenlijk is uitgavenbeheersing het verkeerde woord, want van budgettaire beheersing is er weinig sprake in de sector van de gezondheidszorg.
...

België is een land waar massaal gegevens voorhanden zijn over de gezondheidszorg. Het probleem is echter: er wordt weinig gedaan met die cijfers. Het is een van de kritieken die het Rekenhof aanhaalt in een recent rapport over de uitgavenbeheersing in de ziekteverzekering. Eigenlijk is uitgavenbeheersing het verkeerde woord, want van budgettaire beheersing is er weinig sprake in de sector van de gezondheidszorg. Het totale uitgavenpeil in de ziekteverzekering steeg de jongste vijf jaar van 12,4 miljard tot 18,4 miljard euro. Erger is dat in dezelfde periode de dienst voor geneeskundige verzorging van het Riziv zo'n 2,28 miljard euro te veel uitgaf. Dat had nog meer kunnen zijn als bepaalde deeltakken in de ziekteverzekering geen blijk hadden gegeven van zuinigheid. Zij gaven 1,07 miljard minder uit dan was begroot. Shockerend aan de studie van het Rekenhof is niet zozeer de vaststelling dat die meeruitgaven er zijn, maar wel dat de begrotings- en controlemechanismen om die uitgaven in de hand te houden, niet functioneerden. Het heeft geen zin om ons te verschuilen achter het medische prijskaartje van de vergrijzing of erop te wijzen dat de kostprijs van de geneeskunde steeg door innovatieve behandelingen. Die uitleg volstaat immers niet om de spectaculaire uitgavengroei te verklaren. Dat de uitgaven van de ziekteverzekering niet in het gareel blijven, heeft veel te maken met het ondoelmatige gebruik van de gezondheidszorg. Het Rekenhof suggereert dat sinds 1994 de uitgaven in de ziekteverzekering veeleer de begroting dicteerden dan wel omgekeerd. Met andere woorden: het zijn niet de beleidsmakers die beslisten welk budget ze voor welk gezondheidsbeleid over hadden. Integendeel, de spelers in de gezondheidszorg die van de uitgaven binnen de ziekteverzekering leven, wisten zichzelf elk jaar een fikse loonsopslag te geven. Dat kon omdat ze de begrotingsmechanismen wisten te beïnvloeden. Dat minister Rudy Demotte (PS) in september de begrotingsprocedure hervormde, verliep dan wel 'ondemocratisch' via volmachten, het was broodnodig (zie blz. 50). Eigenlijk maakt de minister komaf met 'wenslijstjes' waarmee de actoren de jaarlijkse budgetronde probeerden aan te sturen. Sinds september 2005 wordt onmiddellijk bij het opstellen van een budget voor de ziekteverzekering rekening gehouden met de groeinorm van de regering en is er meer controle op de verdeling van de groei. Dat is alvast een aanzet om te komen tot een rationeel beheerde ziekteverzekering. Voor die ommeslag verdient Demotte alle lof. Het zou echter dom zijn om te geloven dat hiermee alle problemen zijn opgelost. Zelfs in de vernieuwde procedures is er nog ruimte voor ondoelmatig gebruik. Demotte heeft misschien wel een visie, maar die vertaalt zich slechts langzaam in het systeem. Spottende vergelijkingen met Stalin vallen Demotte wel eens te beurt. In dat plaatje is hij dan de man die glimlachend een paar maatregelen neemt, ten koste van de patiënt, maar onwrikbaar voor zijn besparingsdoelstelling gaat. Zo'n vergelijking is overdreven; op zijn minst verdient hij het epitheton van 'verlicht despoot'. Roeland Byl