De Studiecommissie voor de Vergrijzing heeft een nieuw verslag gemaakt. De kosten van de vergrijzing zijn weer wat hoger opgelopen: 5,6 % van het bruto binnenlands product. In 2002 was dat nog maar 3,1 %. Het bewijst dat de huidige regering niet goed bezig is. Hoewel de bedoeling moet zijn de kosten naar beneden te halen, stijgen ze nog verder. Dat is onder meer het gevolg van maatregelen zoals de verhoging van de minimumpensioenen en een welvaartsaanpassing van de pensioenen.
...

De Studiecommissie voor de Vergrijzing heeft een nieuw verslag gemaakt. De kosten van de vergrijzing zijn weer wat hoger opgelopen: 5,6 % van het bruto binnenlands product. In 2002 was dat nog maar 3,1 %. Het bewijst dat de huidige regering niet goed bezig is. Hoewel de bedoeling moet zijn de kosten naar beneden te halen, stijgen ze nog verder. Dat is onder meer het gevolg van maatregelen zoals de verhoging van de minimumpensioenen en een welvaartsaanpassing van de pensioenen. Ook al zijn de kosten gestegen, de politici blijven beweren dat er geen probleem is. "We kunnen alles perfect betalen," herhaalt Bruno Tobback, federaal minister van Pensioenen, bij elke gelegenheid die hij krijgt. Daarin bijgetreden door andere excellenties van de regering. Er zijn nochtans scherpe kanttekeningen te plaatsen. Ten eerste kan België zich technisch gesproken misschien wel 5,6 % veroorloven (onder meer omdat de schuldgraad zal dalen en er dus minder rentelasten te betalen zijn). Maar België moet nog zoveel andere inhaalbewegingen doen. Investeringen in infrastructuur, onderwijs, kennis en innovatie, het kost ook allemaal geld. Wanneer we al het geld aan de vergrijzing uitgeven, kunnen we het niet meer uitgeven aan deze investeringen, die onze economie competitief moeten houden. Ten tweede is die 5,6 % slechts een richtcijfer. Theo Peeters, voorzitter van de Studiecommissie, geeft het in een dubbelgesprek in Trends met Ivan Van de Cloot, econoom bij ING, toe (zie blz. 56). Peeters zegt dat de commissie er voor de duidelijkheid de voorkeur aan heeft gegeven om met één cijfer te werken, maar dat de kosten ook substantieel hoger kunnen uitvallen. Van de Cloot vindt dat het richtcijfer zich eerder aan de lage kant van de mogelijke vork bevindt. De derde bedenking is misschien wel de belangrijkste. Het rapport van de Studiecommissie maakt een wetenschappelijke fout. Een wetenschappelijk rapport dat prognoses maakt, gaat normaal gezien uit van een ongewijzigd beleid. Dat wil zeggen: het maakt een foto van de huidige situatie en extrapoleert dan. Dat doet de Studiecommissie echter niet en ook dat geeft Peeters toe. Er wordt uitgegaan van een aantal hypotheses, die we niet zomaar spontaan zullen waarmaken. Zo zou er bijvoorbeeld een participatiegraad van 67,6 % zijn in 2030. Vandaag is dat 61,8 %. Een gedeelte van het gapende gat van 6 % wordt inderdaad spontaan door de demografische evolutie gedicht, maar zeker niet volledig. Een aantal dynamische processen op de arbeidsmarkt kan bovendien nog roet in het eten gooien. Zo is de vraag of de jongere vrouwen van nu binnen tien jaar dezelfde drang zullen hebben om te blijven werken. De regering moet dus een beleid voeren dat leidt tot een verhoogde participatiegraad. Het voorstel van de pensioenmalus voor wie vroeger stopt met werken, is daar een goed voorbeeld van. Pas als dit soort maatregelen slaagt, zullen de kosten van de vergrijzing het cijfer bereiken zoals de Studiecommissie ze berekend heeft. En pas dan kan de regering zeggen dat de pensioenen zonder probleem kunnen betaald worden. En dan nog blijven er onze eerste twee bedenkingen. Paniek is niet nodig, maar hou toch maar één oor en niet beide oren op het hoofdkussen. Guido Muelenaer