De vergrijzing plaatst het wettelijke pensioen - de eerste pijler - onder toenemende druk. Een hervorming en versterking dringt zich op, en daarom schoot de regering-Van Rompuy in november vorig jaar een Nationale Pensioenconferentie op gang, met daarin vertegenwoordigers van de regering, de sociale partners en de pensioendiensten van de overheid. De conferentie bevindt zich echter nog altijd in een voorbereidende fase. Het blijft wachten op een tussentijdse nota die normaal gezien al kort na de zomervakantie moest verschijnen. Deze nota - een weerslag van de gesprekken met de verschillende actoren - zou uiteindelijk toch deze maand moeten worden gepubliceerd.
...

De vergrijzing plaatst het wettelijke pensioen - de eerste pijler - onder toenemende druk. Een hervorming en versterking dringt zich op, en daarom schoot de regering-Van Rompuy in november vorig jaar een Nationale Pensioenconferentie op gang, met daarin vertegenwoordigers van de regering, de sociale partners en de pensioendiensten van de overheid. De conferentie bevindt zich echter nog altijd in een voorbereidende fase. Het blijft wachten op een tussentijdse nota die normaal gezien al kort na de zomervakantie moest verschijnen. Deze nota - een weerslag van de gesprekken met de verschillende actoren - zou uiteindelijk toch deze maand moeten worden gepubliceerd. Duidelijk is alleszins dat de eerste pijler alleen nooit voldoende zal zijn om de levenskwaliteit van alle Belgen na hun pensioen op peil te houden. Bijkomend sparen, hetzij via de werkgever (de tweede pijler), hetzij individueel (de derde pijler), is meer dan ooit de boodschap. En die hebben de Belgen begrepen. Zestig procent van de Belgische werknemers is aangesloten bij de tweede pensioenpijler, en bouwt met andere woorden een aanvullend pensioen op via zijn of haar werkgever. Het vehikel om dat kapitaal op te bouwen, is in de meeste gevallen een groepsverzekering (ongeveer 50 %). Een andere mogelijkheid (ongeveer 10 %) is een pensioenfonds. Maar het systeem kent ook tegenstanders. De PS vindt de tweede pensioenpijler asociaal, omdat niet alle werkenden erbij aangesloten zijn. Tijd om een stand van zaken op te maken met twee hoofdrolspelers van de tweede pensioenpijler. Philippe Colle is gedelegeerd bestuurder van Assuralia - de koepel van de verzekeringsondernemingen in België - en vertegenwoordigt de groepsverzekeraars. Philip Neyt is de voorzitter van de Belgische Vereniging van Pen-sioenInstellingen (BVPI), de pensioenfondsen zeg maar. Over één ding zijn ze het roerend eens: het wettelijke pensioen - de eerste pijler - moet blijven bestaan. Dé uitdaging is een fatsoenlijk pensioen voor iedereen, maar dat kan duidelijk niet langer van de overheid alleen komen. En dus dringt een aanvullend pensioen zich op. Maar gooit de financiële crisis geen roet in het eten? Zijn de mensen nog wel bereid om nu loon af te staan voor een toekomstig pensioen? Philippe Colle: "De groepsverzekeraars zagen in de twaalf maanden vóór 30 juni hun premie-incasso in de tweede pijler slechts met 0,6 procent stijgen. We moeten afwachten hoe de toestand evolueert, maar dat is natuurlijk een teken aan de wand." Ook de pensioenfondsen hebben het moeilijk gehad, erkent Philip Neyt: "Voor de fondsen die onvoldoende buffers hadden, hebben de werkgevers geld bijgestort. Dat is in alle openheid gebeurd. Het belangrijkste is dat alle pensioenfondsen er nog steeds staan. We hebben dus geen liquiditeitsprobleem. Nooit gehad trouwens, en we beleggen evenmin in toxische producten." En toch. Groepsverzekeraars en pensioenfondsen zijn verplicht een gegarandeerd rendement uit te betalen: 3,75 procent op de bijdrage van de werknemer en 3,25 procent op de bijdrage van de werkgever. Het lijkt niet ondenkbaar dat de sector bij de overheid gaat aandringen op lagere tarieven. Maar dat is niet aan de orde. Philippe Colle: "Over de voorbije twintig jaar haalden de groepsverzekeraars gemiddeld een rendement van 6 procent. Over vijf jaar was dat nog altijd 3,8 procent, en zelfs in het crisisjaar 2008 haalden we gemiddeld 3,63 procent. Maar mocht er een periode komen waarin je op de financiële markten slechts intresten kunt realiseren van 2 of 2,5 procent, en je bent verplicht om 3,75 procent te garanderen, dan heb je natuurlijk wel een probleem." Namens de pensioenfondsen relativeert Philip Neyt dat verhaal: "Wij zijn beleggers op lange termijn. Een gemiddeld pensioenfonds heeft vijftien à twintig jaar als beleggingshorizon. Af en toe krijg je dus een stootje, maar daar moet je tegen kunnen. Vorig jaar was het bijzonder slecht weer, maar goed. Ik ga geen voorspellingen doen, en ik wil zeker niet te optimistisch zijn. We zullen nog crisissen meemaken. Maar ik maak me sterk dat we op lange termijn een rendement van 3,75 procent kunnen garanderen." De tweede pensioenpijler kreeg in 2004 een boost met de wet-Vandenbroucke, die het voor bedrijven eenvoudiger maakte om bij een groepsverzekering of een pensioenfonds aan te sluiten. De wet heeft haar nut dus bewezen, maar is aan een hervorming toe, zegt Colle: "De wet is zeer complex en al verschillende keren gewijzigd. De ondernemers zien soms door het bos de bomen niet meer. Zo remt ze de verdere ontwikkeling van de tweede pijler, vooral bij de kmo's." Philip Neyt sluit zich slechts gedeeltelijk aan bij dat standpunt: "Het systeem biedt een goede sociale bescherming, en heeft tijdens de crisis bewezen vrij robuust te zijn. In Nederland maakt de tweede pijler al sinds de Tweede Wereldoorlog deel uit van de collectieve arbeidsverhoudingen. De wet-Vandenbroucke heeft ervoor gezorgd dat nu ook in België de sociale partners betrokken partij zijn. Nieuwe sectoren komen er systematisch bij. Er zitten er nog een paar in de pijplijn: de witte sector, de contractuele ambtenaren uit de publieke sector, en de bewakingssector. Hier en daar dringt vereenvoudiging zich op, maar dat moet in samenspraak met de sociale partners gebeuren, want wij zijn slechts de uitvoerders van wat zij beslissen." De tweede pensioenpijler heeft niet alleen supporters. De PS pleit voor een versterking van het wettelijke stelsel, omdat alleen dat de solidariteit garandeert. Onze twee gesprekspartners weerleggen die kritiek. Philippe Colle: "Het is mijn standpunt niet, maar ik kan begrijpen dat je om ideologische redenen de eerste pijler verkiest boven de tweede en de derde pijler. Maar laat ons eerlijk zijn: iedereen weet dat het wettelijke pensioen voor een werknemer, of voor een zelfstandige, niet iets is om over naar huis te schrijven. Ik vind het altijd interessant om de vergelijking te maken met het laatste nettoloon dat je verdiend hebt. Zodra je in België meer dan 20.000 euro per jaar verdient, wat toch niet gigantisch veel is, is je wettelijke pensioen nog maar 50 procent van je laatste nettoloon. Hoe hoger je loon, hoe lager dat percentage. Wie geen aanvullend pen-sioen heeft, valt dus van de ene dag op de andere terug op minder dan de helft van het laatste nettoloon. Dat is toch ongelooflijk! De tweede pensioenpijler is dus gewoon sociaal. Bovendien willen wij niet raken aan het wettelijke pensioen, want dat is essentieel. Het is dus niet of de eerste pijler of de tweede pijler. Het gaat om en-en. Meer nog, de tweede pijler ondersteunt de eerste. Zowel groepsverzekeraars als pensioenfondsen zijn namelijk institutionele beleggers, die een groot deel van hun reserves beleggen in staatspapier." Philip Neyt ziet het nog ruimer: "Een goed pensioen alleen is niet zaligmakend. Een eigen huis is bijvoorbeeld ook heel belangrijk met het oog op je oude dag. Woningbezit moet dus aangemoedigd worden. En waarom zou de tweede pijler een deel van zijn reserves niet beleggen in de gezondheidszorg? Want ook die wordt almaar belangrijker naarmate de vergrijzing toeneemt. Je moet al die zaken als een geheel zien." De kritiek dat vooral bedienden aangesloten zijn bij de tweede pensioenpijler en de arbeiders veel minder, steunt dan weer op verouderde cijfers, zegt Philippe Colle. "De jongste tijd vinden toch vooral sectoren met veel arbeiders de weg naar de tweede pijler. Maar ik ontken niet dat er bij de arbeiders nog enige terughoudendheid is. Het vergt namelijk ongeveer zeven procent van de loonmassa om tot een adequaat aanvullend pensioen te komen. In bepaalde sectoren is dat ondoenbaar. Maar wat stellen we vast? Dat de sectoren die nu instappen, of de jongste jaren ingestapt zijn, meestal beginnen met een premie of bijdrage die tussen de 0,75 en de 1,75 procent van de loonmassa ligt. Op zich is dat zeer bescheiden. En zodra de drempel van de tweede pijler is genomen, wordt die bijdrage stelselmatig verhoogd. De werknemers voelen dat nauwelijks, en op termijn geraakt het probleem opgelost." Het succes van de tweede pensioenpijler brengt de armlastige overheid natuurlijk ook op ideeën. In de aanloop naar de begrotingsopmaak kwam het fiscale gunstregime al op tafel. Maar het zou dom zijn om daaraan te morrelen, zegt Philippe Colle. "De tweede pijler brengt de staat nu al netto geld op. Assuralia heeft de berekening gemaakt. De overheid loopt inderdaad inkomsten mis omdat de bijdragen fiscaal aftrekbaar zijn. Maar aan het einde van een aanvullend pensioencontract moet de spaarder een belasting betalen, van 16,5 of van 10 procent - al naargelang van het kapitaal dat werd opgebouwd via de werkgevers- en werknemersbijdragen. Bovendien worden er socialezekerheidsbijdragen en premietaksen betaald op elke bijdrage in de tweede pijler. Alles tezamen overtreffen die inkomsten ruimschoots de aftrekbaarheid van de bijdragen." Voor de groepsverzekeraars bleef het niet bij plannen, daar graait de regering al letterlijk in de kas. Sinds kort moeten de levensverzekeraars verplicht toetreden tot het garantiefonds voor levensverzekeringen en daar ook bijdragen voor betalen. De pensioenfondsen moeten dat niet. Philippe Colle kan er niet om lachen: "Dat is slecht voor ons imago. Bovendien is het geen echt beschermingsfonds. Onze bijdragen worden niet opzijgezet, ze komen in de algemene begrotingspot terecht. Mocht een levensverzekeraar ooit in de problemen komen, dan zit je toch weer met een bijkomend gat in de begroting. Bovendien hebben de verzekeraars die extra overheidsbescherming niet eens nodig. De wet zegt dat de verplichtingen die verzekeraars hebben ten aanzien van hun cliënten, voor 100 procent gedekt moeten zijn door activa. Op 30 juni bedroeg die dekkingsgraad nog altijd 108 procent. Maar goed, Assuralia neemt akte van de recente regeringsbeslissing. Ze is wellicht gevallen in de laatste dagen, of zelfs in de laatste nacht van de begrotingsbesprekingen, en dient dan ook louter om het gapende gat in de begroting te helpen dichten - ingekleed als een beschermingsmaatregel voor de verzekerden. Het zij zo." Door Celine De Coster en Alain Mouton/Foto's Thomas De Boever"Wie geen aanvullend pensioen heeft, valt van de ene dag op de andere terug op minder dan de helft van het laatste nettoloon. Dat is toch ongelooflijk" (Philippe Colle, Assuralia) "Een goed pensioen alleen is niet zaligmakend. Een eigen huis en een goede gezondheidszorg zijn net zo belangrijk. Je moet al die zaken als een geheel zien" (Philip Neyt, BVPI)