De groei van de Chinese economie zit op zijn laagste niveau sinds de financiële crisis in 2009 en is goed op weg om de slechtste jaarprestatie sinds 1990 neer te zetten. De Chinese regering omschreef de groei van 7,3 procent -- in het derde kwartaal, vergeleken met dezelfde periode vorig jaar -- als "het nieuwe normaal" en lijkt vrede te nemen met die vertraging. De groei bedroeg in het tweede kwartaal nog 7,5 procent en kan de volgende maanden en jaren nog verder dalen. Na meer dan dertig jaar op steroïden te hebben geleefd, wordt de op één na grootste economie ter wereld onderuitgehaald door industriële overcapaciteit, almaar stijgende schulden en een inzinking van het vastgoed.
...

De groei van de Chinese economie zit op zijn laagste niveau sinds de financiële crisis in 2009 en is goed op weg om de slechtste jaarprestatie sinds 1990 neer te zetten. De Chinese regering omschreef de groei van 7,3 procent -- in het derde kwartaal, vergeleken met dezelfde periode vorig jaar -- als "het nieuwe normaal" en lijkt vrede te nemen met die vertraging. De groei bedroeg in het tweede kwartaal nog 7,5 procent en kan de volgende maanden en jaren nog verder dalen. Na meer dan dertig jaar op steroïden te hebben geleefd, wordt de op één na grootste economie ter wereld onderuitgehaald door industriële overcapaciteit, almaar stijgende schulden en een inzinking van het vastgoed. Het Chinese nieuwe normaal komt op een slecht moment. De bewijzen dat de opkomende economieën in een permanente fase van tragere groei terechtkomen worden talrijker. Ondertussen flirt de eurozone met deflatie. Haar sterkhouder, Duitsland, blijft een dalende groei optekenen. De grondstoffenprijzen dalen en de beleggers zijn bang voor de wereldwijde economische toekomst. De landen die grondstoffen produceren, zoals Australië en Brazilië, ondervinden een hardnekkige tegenwind. Ook in Oost-Europa en in Latijns-Amerika sputtert de motor. Gegevens van negentien grote opkomende economieën, verzameld door het onderzoekbureau Capital Economics, tonen aan dat de industriële productie in augustus en de consumentenuitgaven in het tweede kwartaal op hun laagste niveau stonden sinds 2009. De groei van de export nam in augustus een duik. Die trends dragen bij tot het idee dat tragere groei een permanent kenmerk van 's werelds meest dynamische economieën wordt. Het zag er nochtans lange tijd anders uit. Tussen 2000 en 2009 is het bruto binnenlands product (bbp) per capita in de opkomende landen bijna verdubbeld, met een gemiddelde jaarlijkse groei van 7,6 procent, die daarmee 4,5 procentpunten hoger ligt dan die van de rijke landen (zie grafiek Inhaalbeweging). De kloof tussen de ontwikkelde en de ontwikkelingslanden werd snel kleiner. Die groeispurt deelde een ferme klap uit aan de extreme armoede. Als de ontwikkelingslanden dat groeivoordeel van 4,5 procentpunten op de rijke landen blijven behouden en ook andere factoren gelijk blijven, zou hun gemiddelde inkomen per inwoner over iets meer dan dertig jaar -- amper een generatie -- samenvallen met dat van de Verenigde Staten. Helaas lijkt die hoop te vervagen. De snelheid van de convergentie is behoorlijk afgenomen. Sinds 2008 is het groeitempo in de opkomende landen weer afgegleden tot dat van de ontwikkelde economieën. Volgens schattingen van het International Comparison Programme (ICP) van de Wereldbank is het gemiddelde bbp per capita in de opkomende wereld in 2013 slechts 2,6 procentpunten sneller gegroeid dan het Amerikaanse bbp. Tegen die snelheid zou het iets meer dan vijftig jaar duren eer de opkomende markten eenzelfde inkomensniveau bereiken als de rijke landen. Als we China niet meerekenen, is het verschil slechts 1,1 procentpunt. Dan zou het 115 jaar duren alvorens er aansluiting is met de rijke economieën. De recentste groeiprognoses van het Internationaal Monetair Fonds uit 2014 lijken een nog somberder toekomst te voorspellen. Het schat het verschil tussen de groei in de opkomende markten (behalve die in China) en die in de ontwikkelde landen dit jaar op slechts 0,39 procentpunten. Dat zou betekenen dat convergentie meer dan 300 jaar op zich laat wachten, wat eigenlijk neerkomt op nooit. De terugkeer naar de convergentiesnelheid van tien jaar geleden zou een economisch succes zijn. Het is echter moeilijk, of zelfs onmogelijk, om alle aspecten die toen bijdroegen tot die uitzonderlijke periode vandaag te herhalen. Het zal vanaf nu al een hele uitdaging zijn om de rijke landen bij te blijven. Voor een inhaalmanoeuvre zijn hervormingen nodig die almaar minder haalbaar lijken. Bekende theorieën over economische groei, zoals die van Nobelprijswinnaar Robert Solow in 1956, voorspelden dat arme economieën na verloop van tijd de rijke zouden inhalen. Volgens het Solow-model was een economie arm, doordat haar actieve bevolking toegang had tot minder kapitaal. Dat kapitaaltekort impliceerde dat de return on investment hoog moest zijn opdat geld van de rijke naar de arme landen zou vloeien en de twee werelden uiteindelijk naar een vergelijkbaar inkomens- en productiviteitsniveau zouden convergeren. Solow ging ervan uit dat de groei op lange termijn wordt aangedreven door nieuwe technologieën, die zodra ze ontwikkeld zijn, ook kunnen worden ingezet in de armere economieën. De armen kunnen zelfs leren van de fouten die de rijken hebben begaan en zo een grotere sprong voorwaarts maken naar een productievere manier van werken. Dat model kan worden toegepast op de geschiedenis van de toenmalige rijke landen. Dankzij de industriële revolutie steeg het Britse bbp per capita in de negentiende eeuw ver boven dat van alle andere landen uit. Hun concurrenten slaagden er echter al gauw in het succes van de Britten te overtreffen en hen het voordeel uit handen te nemen. In het begin van de twintigste eeuw waren de Verenigde Staten Groot-Brittannië al voorbijgestoken. Net na de Tweede Wereldoorlog had ook het grootste deel van West-Europa hen ingehaald. Maar wat gold voor Europa en de kolonies in gematigde klimaten, was elders niet van toepassing. Voor het einde van de jaren negentig waren arme landen die sneller groeiden dan hun rijkere tegenhangers zeldzaam. Vanaf midden jaren veertig tot midden jaren negentig haalde op geen enkel moment meer dan een derde van de ontwikkelingseconomieën een hogere groeisnelheid dan de rijke wereld. De landen die daar wel in slaagden, moesten de rol een tiental jaar later meestal weer lossen. Sommige Aziatische economieën waren een uitzondering op die regel. Japan, Zuid-Korea, Taiwan en een groepje stadstaten, zoals Singapore en Hongkong, zagen hun vermogen toenemen. Veelbelovende uitbarstingen van groei in Afrika en het Midden-Oosten in de jaren zestig en zeventig doofden uiteindelijk uit. In Latijns-Amerika temperden crisissen herhaaldelijk het enthousiasme. Economen hielden in hun modellen rekening met nieuwe factoren, zoals menselijk kapitaal, geografie en klimaat, in een poging de blijvende kloof te verklaren. Toen de discussies daarover nog aan de gang waren, klapte het wereldbeeld van de economen onverwachts in elkaar. Eind jaren negentig nam de groei in de opkomende landen plots razendsnel toe. Hoewel dat voor een groot stuk toe te schrijven was aan de opkomst van China als industriële grootmacht, zat er toch heel wat meer achter. In 2006, nog vóór de economische crisis een aanslag pleegde op de groei van de rijke landen, kwamen de opkomende economieën plots 5 procentpunten dichter bij de ontwikkelde wereld, zelfs als geen rekening wordt gehouden met China. Bovendien gebeurde dat inhaalmanoeuvre op een veel bredere basis dan voordien het geval was. Dat betekent niet dat de voordelen eerlijk waren verdeeld (zie grafiek Ongelijke verdeling). Economieën in Oost-Europa en Oost-Azië slaagden erin de kloof met een fenomenale vaart te overbruggen. In 1998 was het bbp per capita in Polen 28 procent van dat van de Verenigde Staten, terwijl dat in China 7 procent was. Tegen 2013 waren die cijfers toegenomen tot 44 en 22 procent. Andere landen boekten minder vooruitgang. Het Braziliaanse bbp per capita bedroeg in 1998 al 25 procent van dat van de Verenigde Staten en haalde in de loop van de volgende vijftien jaar slechts een luttele 3 procentpunten in. Extreem arme landen konden de rest van de wereld al helemaal niet inhalen, hoewel het groeipercentage daar vrij hoog lag. Zo nam het bbp per capita in Ethiopië toe van 1,3 tot 2,5 procent van dat van de Verenigde Staten. Venezuela en Zimbabwe raakten almaar verder achterop. Dat bepaalde landen het opvallend beter doen dan andere, was te danken aan een aantal gunstige rugwinden. Een daarvan was het milde macro-economisch klimaat: tijdens het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw stond de rente laag. Het kapitaal vloeide rijkelijk. Een andere was de snelle toename van de grondstoffenprijzen: veel opkomende economieën zijn grotendeels afhankelijk van de uitvoer van natuurlijke rijkdommen. Het stevigste duwtje in de rug kwam van de internationale handel. Tussen 1994 en 2007 groeide de handel dubbel zo snel als de wereldeconomie. De export schoot omhoog. Het leeuwendeel van die groei was aan China te danken. Die verandering werd aangedreven door twee belangrijke factoren. In 1995 werd Wereldhandelsorganisatie opgericht, waarvan in 2001 ook China lid werd. Tegelijk maakten technologische verbeteringen langere en complexere aanvoerketens mogelijk. Dankzij het gebruik van containerschepen was het tegen de jaren negentig gemakkelijker en goedkoper dan ooit om goederen over de hele wereld te transporteren. Ook konden de nieuwe havens die voor het toenemend handelsverkeer nodig waren, snel en makkelijk worden gebouwd. Sinds het hoogtepunt van het convergentietijdperk in 2008, zijn die rugwinden aanzienlijk geluwd. Na een piek van meer dan 14 procent in 2007 is de Chinese groei nu gedaald tot iets meer dan 7 procent, en dat heeft een domino-effect op de handelsprijzen veroorzaakt. Ook het kapitaal vloeit het afgelopen jaar minder rijkelijk dan voorheen, nu de centrale banken in de rijke wereld hun interventies in de economie afbouwen. Toch is vooruitgang mogelijk. Een nieuwe ronde van wereldwijde handelsliberalisering die vooral op de dienstensector is gericht, kan een nieuwe globaliseringsgolf op gang brengen. Door een uitbreiding van het aantal diensten dat makkelijk over de grenzen heen verhandeld kan worden, zouden meer werknemers uit ontwikkelingseconomieën in sectoren met een hoger loon en productiviteitsniveau kunnen worden aangesteld. Een vereenvoudiging van de handelsregels en meer geld voor de infrastructuur van de armste landen zouden de internationale handel ook toegankelijker maken. Maar geen enkele van die inspanningen lijkt te leiden tot een evenaring van de grondstoffenboom en de hyperglobalisering die we rond de eeuwwisseling gekend hebben. Een inhaalmanoeuvre zal lang en moeizaam zijn. THE ECONOMISTDe bewijzen dat de opkomende economieën in een permanente fase van tragere groei terechtkomen, worden talrijker.