Tak21-spaarverzekeringen -- langetermijnbeleggingen in een verzekeringsjasje -- hebben vorig jaar aan populariteit ingeboet. Uit het jaarverslag van de Nationale Bank van België blijkt dat de verzekeraars in 2013 voor die producten minder premies hebben geïnd. Dat heeft twee oorzaken. Doordat het kapitaal vooral wordt belegd in obligaties, is het rendement op nieuwe premies heel laag. Daardoor zijn spaarders niet geneigd zich op lange termijn te binden. Bovendien is de premiebelasting op 1 januari 2013 opgetrokken van 1,1 tot 2 procent. Hoewel tak21-verzekeringen worden afgesloten voor de lange termijn -- wat het effect van die belastingverhoging aanzienlijk mildert --, heeft die maatregel het fiscale stelsel voor tak21- en tak 23-verzekeringen minder aantrekkelijk gemaakt.
...

Tak21-spaarverzekeringen -- langetermijnbeleggingen in een verzekeringsjasje -- hebben vorig jaar aan populariteit ingeboet. Uit het jaarverslag van de Nationale Bank van België blijkt dat de verzekeraars in 2013 voor die producten minder premies hebben geïnd. Dat heeft twee oorzaken. Doordat het kapitaal vooral wordt belegd in obligaties, is het rendement op nieuwe premies heel laag. Daardoor zijn spaarders niet geneigd zich op lange termijn te binden. Bovendien is de premiebelasting op 1 januari 2013 opgetrokken van 1,1 tot 2 procent. Hoewel tak21-verzekeringen worden afgesloten voor de lange termijn -- wat het effect van die belastingverhoging aanzienlijk mildert --, heeft die maatregel het fiscale stelsel voor tak21- en tak 23-verzekeringen minder aantrekkelijk gemaakt. Spaarders die een premie voor een tak21-product betalen, ontvangen een minimaal gewaarborgde rentevoet voor die storting. Die rentevoet is gebaseerd op de Belgische tienjarige rente (OLO op tien jaar), min een bepaald percentage. Dat percentage vergoedt de beheerskosten van de verzekeraar, zijn verplichte bijdrage aan het Bijzonder Beschermingsfonds en zijn kapitaalgarantie voor het product. De verzekeringsmaatschappijen hanteren elk een eigen berekeningsmechanisme om de rente te bepalen, maar hun rendementen liggen niet ver uit elkaar. Op basis van de huidige Belgische tienjarige rente -- die rond 2,36 procent schommelt -- bedraagt de minimaal gegarandeerde rentevoet tussen 1,5 en 2 procent. Verwacht wordt dat de rentevoeten op korte termijn veeleer zullen dalen dan stijgen. De verzekerde verwerft een gewaarborgde rentevoet voor een vooraf bepaalde termijn -- meestal voor maximaal acht jaar. Die intrest is niet gegarandeerd voor de toekomst, zodat een latere storting een lagere of een hogere rentevoet kan hebben. Dat is een belangrijk verschil met een spaarrekening bij de bank: als de rente op een spaarboekje daalt, lijdt het volledige spaartegoed op de rekening daaronder. Bij een spaarverzekering is dat niet het geval. Typisch voor een tak21 is dat een deel van het rendement bestaat uit een winstdeelneming die de verzekeraar mogelijk uitkeert boven op de gewaarborgde rentevoet. Het is dus niet zeker dat de spaarder elk jaar recht heeft op die bonus. Het bedrag verschilt ook van jaar tot jaar. Dat komt doordat het afhangt van de beleggingsresultaten en van de algemene resultaten van de verzekeraar. De winstdeelneming wordt toegekend op basis van de gestorte en de gekapitaliseerde premies (min de kosten) en wordt bekendgemaakt aan het begin van het jaar. De algemene vergadering van de verzekeringsonderneming moet het bedrag goedkeuren. Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. De gewaarborgde rentevoet kan ook 0 procent bedragen. De opbrengst van tak21-verzekeringen zonder gewaarborgde rente bestaat enkel uit een niet-gewaarborgde winstdeelneming. De verzekeraar geeft alleen een kapitaalgarantie en de spaarders mikken volledig op de winstbonus. In goede beursjaren is de winstdeelneming van een 0 procentcontract hoger dan dat van een tak21 met een gewaarborgde rente. Dat komt doordat zulke contracten een groter deel van de portefeuille in aandelen beleggen. In slechte beursjaren is het mogelijk dat de verzekeraar geen winstdeelname uitkeert. Een 0 procent-contract brengt in zo'n jaar niets op. Een tak21-verzekering heeft een achilleshiel: de kosten. Eerst en vooral is er de premiebelasting die de verzekeraar op elke premie inhoudt en doorstort aan de fiscus. Die heffing werd op 1 januari 2013 verhoogd van 1,1 tot 2 procent. De premiebelasting is verschuldigd als de verzekeringsnemer zijn 'gewone verblijfplaats' in België heeft, ook als de polis wordt gesloten met een buitenlandse verzekeraar. Een Belgische spaarder die in Luxemburg een tak21 afsluit, betaalt dus eveneens 2 procent premiebelasting. De verhoogde premiebelasting heeft een weerslag op het rendement van tak21-producten. Van elke 100 euro die de spaarder inlegt, gaat 2 euro naar de schatkist. Slechts 98 euro wordt echt belegd. Hoe langer de tak21 wordt aangehouden, hoe minder zwaar de premiebelasting weegt. Op een termijn van acht jaar komt een premietaks van 2 procent overeen met een gemiddeld rendementsverlies van 0,25 procent per jaar. Dat verlies kan worden gecompenseerd door stijgende rentes en de winstdeelnemingen. De volgende beleggingsverzekeringen ontsnappen aan de premiebelasting: schuldsaldoverzekeringen, pensioenspaarfondsen afgesloten bij een bank of een beursvennootschap, pensioenspaarverzekeringen afgesloten bij een verzekeraar, het vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen (VAPZ) en groepsverzekeringen. Levensverzekeringen die worden gesloten door rechtspersonen, waaronder vennootschappen, zijn altijd onderworpen aan een premiebelasting van 4,4 procent -- en dus niet 2 procent -- wie ook de verzekerde is. Naast de premiebelasting betaalt de verzekerde ook instapkosten. Vaak hebben die een degressief karakter, afhankelijk van de geïnvesteerde bedragen. Voor een premie tot 12.499,99 euro kunnen die kosten bijvoorbeeld 2,30 procent bedragen. Voor stortingen tussen 12.500 en 49.999,99 euro dalen ze mogelijk tot 1,80 procent, en tussen 50.000 euro en 124.999,99 euro tot 1,30 procent. Belangrijk om te weten, is dat de instapkosten kunnen worden verlaagd, als de spaarder dat uitdrukkelijk vraagt aan de verzekeraar. De verzekeraar beslist per individuele cliënt of hij de instapkosten vermindert. Hij baseert zijn beslissing onder meer op het bedrag dat die cliënt wil inleggen. Goede klanten hebben een streepje voor. Daarnaast zijn er beheerskosten verschuldigd, bijvoorbeeld maandelijks 0,01 procent op de verworven reserve. Beheerskosten hebben een verdoken karakter, want ze staan niet op de jaarlijkse afrekening die de verzekerde ontvangt. Het is daarom belangrijk vóór het afsluiten van een tak21-contract de productfiche te bestuderen, waar alle details over de kosten staan. Bij een vervroegde uitstap is de verzekerde uitstapkosten verschuldigd. Hoe langer de spaarder het contract aanhoudt, hoe lager die kosten uitvallen. Zo betaalt hij doorgaans enkel uitstapkosten gedurende de eerste vijf jaar. De uitstapkosten bedragen 5 procent in het eerste jaar, 4 procent in het tweede, 3 procent in het derde, 2 procent in het vierde en 1 procent in het vijfde. Na vijf jaar worden geen uitstapkosten meer aangerekend. Op de intresten van een tak21 is geen roerende voorheffing verschuldigd, op voorwaarde dat de verzekerde het contract langer dan acht jaar aanhoudt. Vraagt hij het kapitaal vroeger op, dan betaalt hij 25 procent roerende voorheffing op een fictieve rente van 4,75 procent. Heeft het product minder opgebracht, dan betaalt de spaarder dus belasting op meer intresten dan hij eigenlijk heeft ontvangen. Er is ook geen roerende voorheffing verschuldigd als het tak21-contract voorziet in een overlijdensdekking van minstens 130 procent van de gestorte premies. De meeste polissen hebben zo'n dekking niet. De premies voor een tak21 zijn niet fiscaal aftrekbaar. Alleen die voor fiscale levensverzekeringscontracten leveren een fiscaal voordeel van 30 procent op, tenminste als de verzekerde geen hypothecaire lening afbetaalt die hij fiscaal kan aftrekken. Belangrijk om te weten, is dat die termijn van acht jaar begint te lopen op het moment dat het contract wordt geopend. Dat heeft minister van Financiën Koen Geens (CD&V) onlangs nog eens bevestigd. De looptijd van het contact vanaf de eerste storting -- en niet de datum van de bijstortingen -- geeft dus de doorslag voor de eventuele berekening van de roerende voorheffing. Het kan een goede strategie zijn dat een spaarder een tak21 opent, er een klein bedrag op zet, terwijl hij er bijvoorbeeld pas over vijf jaar een belangrijke som op kan storten. Aangezien de looptijd wordt bepaald door de eerste storting, kan hij de bijstorting dan al binnen de drie jaar belastingvrij opvragen. Net zoals tak 23-verzekeringen worden tak21-verzekeringen vaak gebruikt als onderdeel van een fiscaalvriendelijke successieplanning. Ouders schenken hun kinderen dan eerst geld via een hand- of bankgift. De kinderen investeren dat bedrag daarop in een tak21. Belangrijk is dat zij de tak21 afsluiten, en zichzelf aanduiden als verzekerden en hun ouders als begunstigden. Bij het overlijden van de ouders wordt het geld uitbetaald aan de kinderen, zonder dat ze daarop successierechten hoeven te betalen, op voorwaarde dat de kinderen kunnen bewijzen dat de schenking dateert van minstens drie jaar vóór het overlijden van de ouders. Dat een tak21 een verzekeringsproduct is, betekent ook dat de verzekerde kan opteren voor een bijkomende overlijdensdekking, bijvoorbeeld een overlijdensuitkering van 110 procent van de waarde van het contract of de uitkering van een vast kapitaal. Op die manier kan de verzekeringsnemer ervoor zorgen dat de erfgenamen de successierechten kunnen betalen. Een deel van de premie of koopsom brengt dan geen intresten op. JOHAN STEENACKERS