Volgens de bevolkingsprognoses van de Verenigde Naties zijn vandaag ongeveer 600 miljoen mensen ouder dan 65. Dat is veel, maar niet spectaculair. Want zij maken amper 8 procent van de wereldbevolking uit, dat is amper meer dan enkele decennia geleden.
...

Volgens de bevolkingsprognoses van de Verenigde Naties zijn vandaag ongeveer 600 miljoen mensen ouder dan 65. Dat is veel, maar niet spectaculair. Want zij maken amper 8 procent van de wereldbevolking uit, dat is amper meer dan enkele decennia geleden. Over twintig jaar zal echter al 13 procent van de wereldbevolking -- 1,1 miljard -- ouder zijn dan 65. De ouderenafhankelijkheidsratio -- de verhouding van ouderen tot de beroepsbevolking -- groeit nog sneller. In 2010 waren er zestien 65-plussers voor elke honderd volwassenen tussen 25 en 64 jaar, ongeveer evenveel als in 1980. De VN verwacht echter dat die ratio tegen 2035 oploopt tot 26 procent. Maar er komen grote regionale verschillen, waarbij vooral de ontwikkelde landen in de problemen geraken. Japan telt dan 69 ouderen op elke 100 actieven en Duitsland 66. Zelfs in de Verenigde Staten, waar de vruchtbaarheid relatief hoog is, stijgt de ouderenafhankelijkheidsratio met meer dan 70 procent naar 44. In de ontwikkelingslanden, waar de verhouding nu veel lager ligt, stijgt het absolute niveau niet zozeer, maar is de proportionele groei wel groter. De ouderenafhankelijkheidsratio verdubbelt ruim in China van 15 naar 36; in Latijns-Amerika gaat het van 14 naar 27. Algemeen wordt aangenomen dat een groter aandeel van ouderen leidt tot een tragere groei en minder spaaractiviteit. Sommige economen zijn optimistischer. Zij voeren aan dat de mensen zich aanpassen en langer werken. Een derde groep grijpt terug naar het werk van Alvin Hansen. In 1938 beweerde hij al dat de krimpende bevolking in de Verenigde Staten de investeringsneiging van de bedrijven zou fnuiken, wat zou resulteren in een aanhoudende stagnatie. De onverwachte babyboom na de Tweede Wereldoorlog gooide Hansens voorspellingen overhoop. Wie heeft het bij het rechte eind? Om dat te weten, moeten we de drie kanalen analyseren waarlangs de demografie de economie beïnvloedt: het zijn de veranderingen in de omvang van de actieve bevolking; de veranderingen in het tempo van de productiviteitstoename; en de veranderingen in het spaarpatroon. De resultaten van zo'n analyse zijn niet eenduidig, maar zeker voor de eerstvolgende jaren lijkt de bezorgdheid van Hansen terecht. Niet het minst wegens een onvoorzien effect: de tendens onder hogergeschoolden om langer en productiever te werken dan ze tot nu toe gedaan hebben. Het is de logica zelve: als een bevolking veroudert zonder veel te groeien, zijn er almaar minder actieven, tenzij de pensioenleeftijd opgetrokken wordt. Dat betekent minder productie, tenzij de productiviteit stijgt. Amlan Roy, een econoom bij Crédit Suisse, heeft berekend dat de krimpende actieve bevolking het Japanse bbp gemiddeld met iets meer dan 0,6 procentpunt per jaar naar beneden trok tussen 2000 en 2013. In de komende vier jaar zou dat 1 procentpunt per jaar worden. De krimpende actieve bevolking in Duitsland kan de toename van het bbp met bijna een half punt onderuithalen. Maar de omvang van de actieve bevolking hangt van meer af dan alleen maar van de leeftijdsstructuur. Hij hangt ook af van wie er werkt (hoeveel vrouwen bijvoorbeeld, of hoeveel immigranten) en van hoelang er gewerkt wordt. Tot voor kort wijzigde die laatste factor nauwelijks. Een analyse van Harvard van de rijkste 43 landen toonde aan dat tussen 1965 en 2005 de gemiddelde wettelijke pensioenleeftijd met minder dan zes maanden steeg. In dezelfde periode nam de levensverwachting van de mannen toe met negen jaar. Sinds de eeuwwisseling is dat anders. Bijna 20 procent van de Amerikanen boven 65 is nu nog actief, tegenover 13 procent in 2000. Bijna de helft van de Duitse vroege zestigers is vandaag aan de slag, vergeleken met een kwart een decennium geleden. Dat heeft deels te maken met beleid. In Europa hebben armlastige regeringen de pensioenleeftijd opgetrokken. Persoonlijke financiële omstandigheden speelden eveneens een rol. De financiële crisis van 2008 heeft het spaargeld van veel bijna-gepensioneerden aangetast. Zij blijven noodgedwongen langer aan de slag. Een nog belangrijkere factor is opleiding. Hoe beter geschoold, hoe langer iemand aan de slag blijft. Een verklaring is niet moeilijk te vinden. Minder opgeleide werknemers voeren handenarbeid uit, die moeilijker wordt naarmate ze ouder worden. Een andere verklaring is dat de stap naar pensionering financieel niet zo groot is voor laaggeschoolden, die tijdens hun loopbaan toch al niet riant betaald worden. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die rechtstreeks van de werkloosheid naar de pensionering gaan, een onthutsende verbetering van hun welzijnsgevoel ondervinden. Hoogopgeleide werknemers worden doorgaans meer betaald, wat hen ertoe aanzet te blijven werken. Ze zijn ook meestal gezonder en leven langer, zodat ze kunnen blijven werken en geld verdienen na hun 65ste, mét het uitzicht op een aantrekkelijk en lang pensioen. De uiteindelijke slotsom is dat de actieve bevolking zeker niet groeit. Omdat de tewerkstelling van vrouwen niet snel toeneemt en er weinig neiging is om massaal immigratie toe te laten, ziet het ernaar uit dat in het grootste deel van de rijke wereld de actieve bevolking krimpt, zelfs als de vaardige oudjes blijven werken. Een kleinere actieve bevolking hoeft de groei niet te dempen, als de productiviteit maar snel genoeg toeneemt. Maar dat is niet bepaald iets wat men van een ouder wordende bevolking verwacht. Een heleboel studies en bittere ervaringen wijzen uit dat de meeste fysieke en mentale capaciteiten afnemen naarmate men ouder wordt. Het is evenmin uitgesloten dat een verouderende samenleving verstart. Alfred Sauvy, de Franse filosoof die de term 'derde wereld' bedacht, vreest dat de eerste wereld verwordt tot "een samenleving van oude mensen die in oude huizen wonen en oude ideeën herkauwen". De Japanse productiviteitsgroei ging scherp achteruit in de jaren negentig toen de arbeidsgeschikte bevolking begon te krimpen, en ook de Duitse productiviteitsgroei werd glansloos naarmate de bevolking ouder werd. Opvallend is wel dat beide landen, ook al vergrijzen ze, beter scoren in de innovatierangschikking van het World Economic Forum dan de Verenigde Staten. Een schaarste aan arbeidskrachten kan de aanzet geven voor de ontwikkeling van arbeidsbesparende, kapitaalintensieve technologie. Japanse firma's pionieren met robots die oude mensen verzorgen. Een weelde aan werkervaring kan de vertraging van de mentale snelheid opvangen. Het allerbelangrijkste is echter dat betere opleiding op elke leeftijd leidt tot hogere productiviteit. Om al die redenen kan een uitdijende groep van hooggeschoolde ouderen de productiviteit stimuleren en een groot deel van het effect van een kleinere beroepsbevolking wegwerken. Dat kan goed nieuws zijn voor landen met behoorlijk geschoolde werkkrachten die nu aan hun oude dag beginnen, maar het is minder goed nieuws voor minder ontwikkelde landen. Bijna de helft van de Chinese werknemers tussen 50 en 64 heeft de lagere school niet afgemaakt. Naarmate die ongeschoolde mensen ouder worden, daalt waarschijnlijk hun productiviteit. Het Oostenrijkse Internationaal Instituut voor Toegepaste Systeemanalyse heeft de ouderenafhankelijksheidratio aangepast voor dat effect. Ze vergeleken de cognitieve vaardigheid van 50-plussers in ontwikkelde landen met die in opkomende economieën. Die voor kennis aangepaste ouderenafhankelijkheidsratio is lager in Noord-Europa dan in China, en die van de Verenigde Staten is beter dan die van India. Bekwaamheid en scholing bepalen niet alleen mee hoelang en hoe goed oudere mensen werken, ze hebben ook een grote invloed op het spaargedrag. Geschoolde ouderen hebben de neiging meer bijeen te sparen dat wat ze tegen het einde van hun leven opnemen. Daar bestaan indirecte bewijzen voor. De Franse econoom Thomas Piketty berekende dat het gemiddelde vermogen van Franse 80-jarigen 134 procent bedraagt van dat van de 50- tot 59-jarigen. Dat is de grootste kloof sinds de jaren dertig. Tegelijk beknibbelen regeringen in zowat alle ontwikkelde landen op hun pensioenbeloften en beperken ze hun begrotingstekorten. In beide gevallen heeft dat een invloed op de spaarquote. Hervormingen die de toekomstige pensioenen korten, hebben tot gevolg dat wie dicht bij zijn pensioen zit waarschijnlijk meer spaart, en dat de overheid minder uitgeeft per oudere. De jongste voorspellingen van de Europese Commissie wijzen erop dat de pensioenbestedingen in de EU tussen 2010 en 2020 zullen dalen met 0,1 procent van het bbp, vooraleer ze toenemen met 0,6 procent in het daaropvolgende decennium. Dat is niet weinig, maar wel veel minder dan sommige alarmerende berichten over de vergrijzingskosten doen vermoeden. De combinatie van hogere spaarquote onder geschoolde oudere werknemers en minder gulle pensioenen, betekent dat de westerse landen zeker in de komende paar jaar over onverwachte reserves kunnen beschikken. Als het uitgespaarde geld gebruikt wordt voor productieve investeringen, kunnen die de langetermijngroei stimuleren. Maar waar moeten die investeringskansen gezocht worden? In principe zijn er twee mogelijkheden. De ene is versnelde innovatie in de gevorderde economieën, de andere snelle groei in de opkomende landen. Helaas vloeit momenteel nog altijd meer kapitaal van de opkomende economieën naar de ontwikkelde wereld dan omgekeerd. De meest succesvolle opkomende landen zitten op enorme voorraden vreemde deviezen; vele zijn op hun hoede om niet te afhankelijk te worden van buitenlandse leningen. Zelfs al mocht daar verandering in komen, dan nog zijn de jeugdige economieën in Zuid-Azië en Afrika te klein om de enorme toevloed van kapitaal uit de vergrijzende landen op te vangen. De conclusie moet zijn dat demografische tendensen weliswaar de toekomst vormgeven, maar dat tegelijk bepaalde effecten niet onvermijdelijk zijn. De evolutie van de economie hangt af van de manier waarop de beleidsmakers reageren op de nieuwe toestand. En die keuzes zullen meer dan ooit beïnvloed worden door de prioriteiten van ouderen. Aan beide zijden van de oceaan lijken recente maatregelen de prioriteiten van de ouder wordende en meer gegoede lagen van de bevolking te weerspiegelen. Een hervorming van de lijfrente in Groot-Brittannië biedt de mensen een grotere vrijheid om hun pensioenpot te besteden. Oudere Italiaanse huiseigenaars halen opgelucht adem nu de vermogensbelasting niet hervormd wordt. De Amerikaanse begroting snoeit in de uitgaven voor jongeren en armen, maar de uitgaven voor gezondheidszorg en pensioenen voor de rijkeren blijven buiten schot. En vooral: er zijn maar weinig regeringen van ontwikkelde landen die zich aan grootscheepse investeringen wagen, ondanks de lage intresten. En zo lijkt Alvin Hansen alsnog gelijk te krijgen. We belanden in de komende jaren in een wereld van tragere groei, met overdadige spaarquotes en zeer lage intresten. De vergrijzing versterkt zo de veranderende inkomensverdeling die de nieuwe technologie in gang had gezet: de geschoolde ouderen verdienen meer, de minder geschoolden van alle andere leeftijden komen financieel onder druk. Voor laaggeschoolde werkloze jongeren ziet de toestand er bijzonder zwart uit: zij zullen nooit de kennis kunnen opbouwen waarmee ze productieve oudere arbeidskrachten kunnen worden. Dat is beter nieuws dan de alarmkreten over een allesvernietigende 'grijze tsunami', maar het geldt lang niet voor iedereen. THE ECONOMISTDe uiteindelijke slotsom is dat de actieve wereldbevolking zeker niet groeit. Het allerbelangrijkste is dat betere opleiding op elke leeftijd leidt tot hogere productiviteit.