De schelmen van het geld

Zijn ondernemers echt allemaal schuinsmarcheerders? Wie de media bekijkt, kan niet anders besluiten. Worstenfabrikant Balthazar Boma in FC De Kampioenen? De West-Vlaamse textielbaronnen in de succestrilogie van Tom Lanoye? Ze passen in een lange traditie. Maar hoe voelen gewezen Managers van het Jaar zich bij zo’n publieke veroordeling?

F C De Kampioenen is terug met de plakkerige avonturen van Balthazar Boma en zijn vrienden. De worstenfrabrikant met een eigen voetbalploeg is voor het Vlaamse tv-publiek een waarheidsgetrouw beeld van dé ondernemer. Zijn vlees is rommel, zijn sponsoring corrupt, zijn kop die van een gladjanus.

En natuurlijk giet de televisie stereotypes makkelijker in beton dan andere media of cultuurvormen. Het personage Alexander Vorlat uit de sterke TV1-serie Stille Waters knoeit met het milieu, zijn werknemers, kinderen, de liefde en het leven. Ook deze brok treurnis is voor Jan Modaal het archetype van dé zakenman in tijden van slechte beurzen, boekhoudschandalen en economische zwaarmoedigheid. Het is van alle tijden: listige leeglopers en schurken in een glansrol worden steevast aanbeden door het volk. Tijl Uilenspiegel en Reinaert de Vos zijn vedetten van de schelmenroman. Jan Cremer en Günter Grass grossieren in antihelden, en Tom Lanoye trekt die lijn door.

Trends fileert het verschijnsel ‘verbeelding en business’ en sprak met Managers van het Jaar.

“Geld verdienen is vies.” Het is een zin die je vaak hoort, onder andere bij de antiglobalisten. Maar hij schetst ook de mening van kunstenaars in Vlaanderen en ver daarbuiten over het zakenleven. Weinig romanciers of scenaristen hebben echter ervaring met het bedrijfsleven. Laten we mild zijn en zeggen dat hun wereld baadt in de verbeelding en de vergeestelijking. Vandaar hun afkeer van de gewone, hoewel onmisbare, activiteiten van het leven.

Als vechters voor het goede en bekampers van het kwade – want dat is hun zelfbeeld – wikken en wegen zij zakenmensen als profiteurs en verdrukkers. En de waarden en de normen die literatoren voorhouden, voorspellen hoe de domino’s vallen op tv en in de massakranten.

Een van de zeldzame uitzonderingen ter zake is de stripheld Largo Winch, het geesteskind van de Belgische kunstenaars Philippe Francq en Jean Van Hamme. En ook Japan biedt een geval apart: Carlos Ghosn. Op het eerste gezicht is het personage het prototype van de held uit een stripverhaal: hij komt van een verre plaats, heeft uitzonderlijke macht en is een vechter voor het goede. Deze sensatie van de Japanse cartoonboeken draagt geen kapmantel maar een krijtstrepenpak. Carlos Ghosn (49), de niet-Japanse want Franse CEO en redder van Nissan Motor, is de vedette van een stripserie die in de herfst van 2001 begon. De standaardoplage van prentverhalen voor volwassenen in Japan is een half miljoen stuks. De story van Ghosn- san gaat daar ruim over. Het doelpubliek is de salary man, de Japanse kantoorklerk, voor 90% mannen tussen de 25 en de 40. Wat in Japan een held is, is in West-Europa een schelm.

Van Bomaworst tot Tom Wolfe

Balthazar Boma en Alexander Vorlat zijn scharreldieven, meelopertjes. De weerzin van money vertroebelt ook het zicht van talentvolle hedendaagse woorkunstenaars. Grijp The Bonfire of the Vanities van Tom Wolfe (1987) vast, of American Psycho van Bret Easton Ellis (1991), of My Idea of Fun van Will Self (1993). Boosaardigheid, eigenbaat en bokkigheid plus het verlies van elke morele zin bepalen het genre.

Het Britse Institute of Economic Affairs is gealarmeerd en geïntrigeerd door de meedogenloosheid waarmee hedendaagse schrijvers het ondernemerschap schetsen. Een studie van het instituut, The Representation of Business in English Literature (2000), zou navolging moeten krijgen van een Vlaamse kandidaat-doctor in de Letterkunde of de Communicatiewetenschappen, want ook bij ons is de oogst gelijkaardig.

Tom Lanoye ploft met Boze tongen, verschenen in de herfst 2002, een punt achter zijn felgesmaakte en nijdige bestsellers over het zakengeslacht Deschryver. Naar goed gebruik vermeldt die de zin: “Elke gelijkenis met bestaande personen en gebeurtenissen berust geheel en al op toeval.”

Lanoye kannibaliseerde de tribulaties van de West-Vlaamse tapijtenfabrikanten De Clerck om zijn verbeelding te stoken. Drakerigheid troef in Het goddelijke monster (1997), Zwarte tranen (1999) en Boze tongen: poesjenellenkelders met afgerukte ledematen, domme elektrocuties en een foefelende zwager (hij is immers de belastingconsulent van de familie Deschryver), opzettelijk afgeknald bij een jachtongeluk. Katrien Deschryver is een stoeipoes, moordenares en aandeelhouder van de NV Tapijtfabrieken. De boeken zijn een gruwelsoap met achterklap, afzetting, kapitaalverhoging, familiehistories, mismaaktheid, Franse ooms en tantes.

De Vlaamse Primitieven hebben de textiliens van de Middeleeuwen geschilderd: harde, zelfbewuste gezichten met scherpe ogen, besliste lippen, grijpende en vasthoudende handen en rijkelijk gekleed. Bij Lanoye blijft de hardheid, gemengd met zielepoterij en crapuleusheid.

Zeventig jaar voor Lanoye scheef de sombere Willem Elsschot ook al over ondernemers. Wat is het beste boekje en wie is de betere schrijver om de varkenscyclus op de wereldbeurzen te begrijpen? Kaas van Willem Elsschot. Dat vindt alvast de inleider van de Engelse vertaling die in 2002 uitkwam, aangevuld met een aandoenlijke coterie van Engelstalige boekbeoordelaars die over elkaar struikelen om te beklemtonen hoezeer Elsschot en zijn anti-held Laarmans te vergelijken zijn met Charlie Chaplin en Buster Keaton. De Angelsaksers loven de tijdloosheid en de thematiek van Kaas. Laarmans is met zijn mislukte entree in de wereld van de Edammerkaashandel een snul die gelijkenissen vertoont met de naïevelingen die snel een internetbedrijfje opstartten dat meer verliezen boekte op zes maanden dan bank- en verzekeringsgroep KBC op zes jaar. Boorman, de kwade genius van aspirant-commerçant Laarmans, strooit wijze lessen: “Een zaak is een zaak en steeds een overwinning voor een van de partijen”, “Wees beleefd tegen je klanten, want het zijn je vijanden, vergeet het niet. Zij laten slechts los wat je ze ontwringt en behouden alles waar je niet voor opkomt met je leven.”

Vorig jaar verscheen de Engelse vertaling van Elsschots meesterwerk, Cheese. Het kwartaalblad Granta brengt al twintig jaar frisse letterkunde, en naast het blad lopen mooi uitgegeven boeken. Nu dus ook Kaas. Laarmans wordt een internationaal icoon voor de explosie van de hightechbubbel.

Toen Kaas in 1933 verscheen, had Willem Elsschot, een kleine zakenman met een grote familie, in tien jaar niets meer gepubliceerd. In 1923 wilde hij met Lijmen brokken maken. In Lijmen verschijnt een eerste incarnatie van Laarmans. Lijmen werd slecht verkocht en beoordeeld. Elsschot schreef in een kale taal over schlemielen die het publiek afschrikten. Aangespoord door de Nederlandse dichter Jan Greshoff, aan wie Kaas poëtisch is opgedragen, duwde Elsschot de novelle op twee weken uit zijn pen. De kaashandel is een voorwendsel om de kleingeestigheid van de reclamewereld of de literaire wereld een hak te zetten – de meningen lopen uiteen. Kaas is grappig-tragisch. De wereld volgens Elsschot is moedeloos. Hij zit zo ineen dat hij nooit goed zal draaien. Daar horen geen paukenslagen of buikgelach bij.

Al eeuwen de boeman

Zakenwereld en literatuur zijn volgens velen twee volkomen onverenigbare, zelfs strijdige begrippen. De zakenwereld is de harde, nuchtere, gevoelloze werkelijkheid. De kunst en de artiest, gedragen door een begenadigde inspiratie, zijn ver verheven boven de wereld van het geld en de getallen. Toen de schatrijke Antwerpse koopman Cornelis Lanschot, grondlegger van de huidige Noord-Brabantse vermogensbank Van Lanschot, in 1656 overleed, werd hij in de Antwerpse Sint-Jacobskerk begraven. Tot stichting van de gelovigen prijkt op zijn albasten gedenkstuk een zedenles: “Men wint den Hemel met gewelt of Is te koop Met kracht Van geldt”.

Koopmanschap en speculatie waren synoniemen in zijn tijd. De zeventiende eeuw werd in de Lage Landen uitgeluid met een opflakkering van de windhandel, nog feller en dwazer dan in de vorige decennia. In zijn Quincampoix of de Windhandelaars. Blyspel (1720) bespot Pieter Langendijk de misdadigheid van de Actionisten of aandelenjagers. In zijn komedie acteren lichtzinnige kooplieden met duidelijke namen: Windbuil en Grypvogel. Ook eerlijkmenende zakenmannen als Bonavontuur willen de voorgespiegelde winsten niet missen, wat tot desastreuze gevolgen leidt, zodat het wijze besluit luidt: “Die windnegoties, die wy hier de bubbels noemen; Is, als men ‘t wel beziet, heel weinig op te roemen; Dewyl de handel door die dingen wordt geremd; Zy zullen met ‘er tyd ons zetten in het hemd…”

Hét monument van de antikoopman is Batavus Droogstoppel, makelaar in koffie, uit Max Havelaar of de Koffij-veilingen der Nederlandsche Handel-Maatschappij (1860). De volbloed romanticus en revolutionair Multatuli heeft in deze vertegenwoordiger van de enge zakenwereld al zijn haat gelucht tegen het type ‘duiten en de Heer’, zoals hij de femelende makelaar karakteriseert. Meer dan tien jaar voor Max Havelaar had de jonge Antwerpse rebel Eugeen Zetterman zijn roman Mynheer Luchtervelde, waerheden uit onze tyd uitgegeven. De Genste fabrieksdirecteur Luchtervelde is het verwerpelijke type van de amorele chef. In zijn personeel ziet hij alleen gebruiksvoorwerpen en slaven.

De Lierenaar Felix Timmermans, zelf uit de handeldrijvende middenstand en aan het winkelbedrijf niet vreemd, heeft in een minder bekende boek Bij de Krabbekoker (1934) een drietal neringdoenden getekend waaronder de onbarmhartige werkgever Simon De Vries, met zijn horologie, de angst van de werkmeisjes. Zij moesten hun aantal bloemen per uur maken. Wie faalde “moet rondgaan en wordt door elk werkstertje met het haakpriemeke in den palm van de hand gestoken, tot het bloed er uit komt”.

De perceptie van de zakenman in de Nederlandse letterkunde is onbestudeerd. Een uitzondering is dr. AugustKeersmaekers, oud-hoogleraar Geschiedenis en Literatuur in Antwerpen. Die besloot zijn studie Zakenlieden in de spiegel van de Nederlandse literatuur uit 1973 met: “In de Middeleeuwen was het beeld voor de handelaar gunstig, alhoewel op de schaduwzijden van het beroep gewezen werd. In de Gouden Eeuw verdween de zakenman naar het blijspel, en de klemtoon kwam op de negatieve zijde te liggen. Tijdens de Verlichting was er opnieuw een verschuiving, en de koopman werd hier de steunpilaar van de maatschappij, als weldoener en mecenas. Met de Romantiek vertonen de ondernemers trekken van dorheid en hardvochtigheid, en de Droogstoppel van Multatuli spreekt ter zake boekdelen. Elsschot brengt met Boorman een derde visie, een koopmansfiguur niet zo nobel als die van de Verlichting en evenmin zo gewetenloos als Droogstoppel, maar met iets van beide.”

Ja, er is een probleem

Het imago van bedrijfsleider wordt er op tv, in boeken en persteksten niet beter op, menen de Managers van het Jaar. “Een bepaalde pers vergroot – want het moet renderen in verkoopcijfers – de groeivertraging, de zeepbeleconomie, de kortetermijndruk bij beursgenoteerde ondernemingen. Die negatieve spiraal moet stoppen. Iedereen wordt op dezelfde hoop gesmeten, terwijl de overgrote meerderheid van de Belgische ondernemers goed bezig is,” zegt Luc Vansteenkiste, chief executive officer (CEO) van Recticel, voorzitter van het Verbond van Belgische Ondernemingen ( VBO) en Manager van het Jaar 2000. “We hebben duizenden kmo’s die het uitstekend doen, gedreven door ondernemerschap en creativiteit. Ik denk ook aan knappe Belgen die buitenlandse bedrijven leiden. Als we allemaal positiever denken en handelen, kunnen we die perceptie omkeren. Zoals minister van Mobiliteit Steve Stevaert (SP.A) zei over de verzuring: het is niet de groei van het bruto binnenlands product dat de mensen bekommert, maar de groei van het bruto nationaal geluk. En daarbij zijn ondernemers essentieel.”

Hugo Vandamme, ex-CEO van Barco, voorzitter van de raad van bestuur van Roularta Media Group en Manager van het Jaar 1988, is redelijk optimistisch. “De mensen zien wel weer scherper het verschil tussen een bekwame en een knoeiende ondernemer. Ze zoeken steun bij en steunen de competente bedrijfsleider. Ik ben ondernemer geworden omdat ik in mijn jeugd een meeslepende televisiereeks zag op zender Rijsel, met mooie meisjes, over een jonge ingenieur die in een bedrijf begon, snel opklom en succesvol werd. Waarom pakken VRT en VTM niet uit met een interessant rolmodel? Er zijn veel meer eerlijke bedrijfsleiders dan prutsers, dus de voorbeelden liggen voor het rapen.”

“Het ergste wat ons zou overkomen door de hetze tegen de bedrijfsleiders, is dat de malaise omslaat in een hernieuwd geloof in de geleide economie. Die is er al genoeg,” vindt Jan Huyghebaert, voorzitter van Almanij en Manager van het Jaar 1998. “De economische toestand gaat achteruit en er zijn weer massale afdankingen. Het prestige van de bedrijfsleider is op de eerste plaats dat van werk-gever.”

Volgens Huyghebaert heeft de economische oorlog voor de toeschouwer een voor- en een nadeel. Een voordeel tegenover de politiek is dat de burger als consument beter begrijpt waar het om gaat. De spelregels zijn eenvoudiger en de economie dringt via honderden producten en diensten in zijn huis. Het nadeel is dat het bedrijfsleven geen democratie is, en er is maar een kleine groep die weet hoe het er werkelijk aan toe gaat. Huyghebaert: “De ontluistering van de ondernemers is dus wat groter dan in de politiek. Iedereen weet sinds mensenheugnis dat de politiek strijd is, met vele middelen. Over het zakenleven wordt minder verteld uit de interne keuken. Ook al omdat zakenlui beseffen dat het uithangen van de vuile was niemand baat. Maar dat gebeurt dus nu wel. Eerst bestaat de neiging om de uitzondering voor de regel te houden. Vervolgens begint men aan het sprookje te twijfelen. Hoe is dat nu mogelijk? Zo’n prestigieus bedrijf? Zo’n Manager van het Jaar? Hoe groter de mythe, des te groter de val. Ten slotte blijft men steevast met een kater zitten. Want het verhaal is dikwijls vlug voorbij omdat gevallen bedrijfsleiders meestal in de anonimiteit verdwijnen. Gevallen politici zijn taaier en werken aan een comeback, herstel of wraak. Aangezien ze dikwijls over een brede aanhang beschikken, blijft de belangstelling van duizenden mensen op hen gericht.”

De ontluistering heeft de vedettestatus aangetast, is de overtuiging van Theo Dilissen, CEO van Real Software en Manager van het Jaar 2001. “De onaantastbare bedrijfsleider is niet meer. Is dat een verslechtering? Neen toch. Als we zowel intern als extern een transparant beleid voeren en volwassen, open communiceren in heldere mensentaal, zullen onze werknemers gefundeerd en op merites beoordeeld worden. De democratisering van het bedrijfsleven is al een tijd geleden ingezet, en die wordt zeker niet zwakker.”

Voor een deel hebben we de houding van een Tom Lanoye aan onszelf te wijten, oordeelt Luc De Bruyckere, voorzitter-bedrijfsleider van Ter Beke en Manager van het Jaar 1986. “Als je Yves Desmet van De Morgen op Kanaal Z denigrerend bezig hoort over de ondernemers, is een discussie over onze bijdrage tot de welvaart meer dan nodig. Ondernemers moeten transparanter zijn, beter communiceren, fiscaal en financieel orthodox zijn en vooral: walk the talk. Perceptie staat dicht bij reputatie, en daar werk je een leven lang aan.”

Luc Bertrand, CEO van Ackermans & van Haaren en Manager van het Jaar 1991: “Ik ben het eens met Luc De Bruyckere. Vlaanderen moet in eigen boezem kijken en beter inzien wat met Lernout & Hauspie is gebeurd. Al is het wel zo dat na de verwerping van het respect van waarden en instituten als de kerk, de staat en het gerecht, je niet moet verrast moet zijn dat ook het gezag van bedrijfsleiders in twijfel wordt getrokken. En vaak is dat terecht.”

Frans Crols [{ssquf}], fcrols@trends.be

“Iedereen wordt op dezelfde hoop gesmeten, terwijl de overgrote meerderheid van de Belgische ondernemers goed bezig is.”

(Luc Vansteenkiste, MvhJ 2000)

“Waarom pakken VRT en VTM niet uit met een interessant rolmodel? Er zijn veel meer eerlijke bedrijfsleiders dan prutsers, dus de voorbeelden liggen voor het rapen.”

(Hugo Vandamme, MvhJ 1988)

“De democratisering van het bedrijfsleven is al een tijd geleden ingezet, en die wordt zeker niet zwakker.”

(Theo Dilissen, MvhJ 2001)

“Het ergste wat ons zou overkomen door de hetze tegen de bedrijfsleiders, is dat de malaise omslaat in een hernieuwd geloof in de geleide economie. Die is er al genoeg.”

(Jan Huyghebaert, MvjH 1998)

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content