Begin augustus 2010 is de prijs van palmolie, in vergelijking met een maand geleden, gestegen met 9 % tot 845 dollar per ton. Beleggers wrijven zich in de handen als ze zulke groeicijfers zien. Het gebruik van palmolie neemt spectaculair toe. Tussen 1995 en 2004 is de import in de Europese Unie verdubbeld. Palmolie wordt gebruikt in de voedings- en de cosmetica-industrie en in de energie- en de transportsector. Producenten uit Indonesië en Maleisië - goed voor 85 % van de wereldmarkt - verwachten tegen 2030 opnieuw een omzetstijging van 100 %. Palmolie is een natuurproduct, maar de milieubeweging heeft felle kritiek op de manier waarop het wordt geproduceerd. Heleen Van Hoof, Green Consultant bij Econopolis, licht toe.
...

Begin augustus 2010 is de prijs van palmolie, in vergelijking met een maand geleden, gestegen met 9 % tot 845 dollar per ton. Beleggers wrijven zich in de handen als ze zulke groeicijfers zien. Het gebruik van palmolie neemt spectaculair toe. Tussen 1995 en 2004 is de import in de Europese Unie verdubbeld. Palmolie wordt gebruikt in de voedings- en de cosmetica-industrie en in de energie- en de transportsector. Producenten uit Indonesië en Maleisië - goed voor 85 % van de wereldmarkt - verwachten tegen 2030 opnieuw een omzetstijging van 100 %. Palmolie is een natuurproduct, maar de milieubeweging heeft felle kritiek op de manier waarop het wordt geproduceerd. Heleen Van Hoof, Green Consultant bij Econopolis, licht toe. Heleen Van Hoof: De opbrengst van palmolie per hectare ligt veel hoger dan bij soja-, koolzaad- en zonnebloemolie, waardoor er minder landbouwoppervlakte voor nodig is. Toch weegt dat voordeel niet op tegen de nadelen. De massale ontbossing in Zuidoost-Azië is voor een belangrijk deel te wijten aan de palmolie-industrie. Een rapport van het United Nations Environment Program (UNEP) uit 2007 onthulde dat als het huidige tempo van ontbossing aanhoudt, tegen 2022 tot 98 % van het Indonesische regenwoud verdwenen zal zijn. Maleisië kampt met hetzelfde probleem. Het regenwoud heeft een zeer grote waarde voor het milieu, zowel om de biodiversiteit te waarborgen als om de atmosfeer te zuiveren van CO2. Veel dieren- en plantensoorten in die regenwouden zijn met uitsterven bedreigd. De orang-oetan en de Sumatraanse tijger zijn de bekendste slachtoffers. Volgens UNEP kan de orang-oetan binnen één à twee decennia uitgestorven zijn als de ontbossing in het huidige tempo voortgaat. De Indonesische regering heeft toegegeven dat er al meer dan 50.000 orang-oetans zijn gestorven door de ontbossing. Van Hoof: Naast de indirecte impact op de CO2-uitstoot door het kappen van het regenwoud, waardoor de opnamecapaciteit van CO2 vermindert, kan de aanleg van palmolieplantages ook een sterke directe CO2-uitstoot veroorzaken. Sommige van die plantages worden aangelegd op veengronden, die van nature grote hoeveelheden CO2 en methaan bevatten. Bij het verbouwen van de grond komen die gassen vrij. Door de ontginning van veengronden en de ontbossing is Indonesië een van de belangrijkste uitstoters van CO2 ter wereld. Hoewel de Indonesische overheid de verbouwing van oliepalmen op veengrond verbiedt, trekken de producenten zich daar niet veel van aan. De palmolieproductie leidt ook tot maatschappelijke problemen, ondanks de economische groei die de industrie met zich heeft meegebracht. De lokale bevolking is immers afhankelijk van het woud dat nu plaats moet maken voor palmolieplantages. Er ontstaan vaak conflicten tussen de palmoliebedrijven en de lokale bevolking, doordat bedrijven grond inpalmen waar ze geen recht op hebben. Van Hoof: In 2004 werd de Ronde Tafel voor Duurzame Palmolie (RSPO) opgericht. De leden komen uit de verschillende betrokken sectoren, gaande van plantage-eigenaars, producenten en de verwerkende industrie, over handelaars, banken en investeerders, ngo's en milieuorganisaties tot voedingsbedrijven. De RSPO vertegenwoordigt 40 % van de wereldwijde productie van palmolie, en meer dan 30 % van de verwerking en de consumptie. De organisatie wil normen stellen voor de duurzame productie van palmolie. Om als duurzaam te worden gecertificeerd, moet de productie transparant zijn en ze moet voldoen aan wettelijke, economische, financiële, maatschappelijke en ecologische voorwaarden. Dat loopt echter niet van een leien dakje. Amper 3 % van de wereldvoorraad is gecertificeerd. In 2008 werd slechts een deel van de gecertificeerde olie ook echt verkocht, omdat de prijs van palmolie met zo'n duurzaamheidscertificaat hoger ligt. Zeker in een land zoals Duitsland, met een zeer competitieve retailmarkt, is dat een struikelblok. Toch groeit de vraag naar duurzame palmolie en ook het aanbod neemt toe, al gebeurt dat langzaam. Een ander probleem is dat er in de productieketen geen transparantie is. Palmolie van duurzame plantages wordt vaak gemengd met olie zonder certificaat, om samen getransporteerd te worden. Een apart circuit voor duurzame palmolie is immers duurder. Daardoor gebeurt het vaak dat palmolie duurzaam wordt geproduceerd, maar niet onder die noemer op de markt komt. Daarnaast is het ook moeilijk om na te gaan welke olie afkomstig is van illegale plantages, waarvoor regenwoud gekapt is. Van Hoof: Palmolie wordt als biomassa gebruikt voor de bijstook in kool- en gascentrales, en als hoofdbrandstof in WKK-installaties (warmtekrachtkoppeling). In België kan die energieproductie rekenen op subsidies voor de installatie zelf, en voor de productie van elektriciteit die valt onder het systeem van de groenestroomcertificaten. Ook in de transportsector wordt palmolie gebruikt als brandstof. De Europese lidstaten zijn verplicht om tegen 2020 10 % van de transportbrandstof te halen uit hernieuwbare energiebronnen. De elektrische wagen kan voor een deel voldoen aan die vraag, al wordt vooral gerekend op biodiesel (uit plantaardige olie, zoals palmolie) en bio-ethanol (uit suiker en graan). De vraag kan inderdaad worden gesteld of palmolie wel een groene brandstof is, die de CO2-uitstoot kan terugdringen. Palmolieplantages waarvoor regenwoud is gekapt en teergronden zijn ontgonnen, hebben immers een verhoogde CO2-uitstoot tot gevolg. Daar komt bovenop dat de CO2-uitstoot over het hele proces moet worden bekeken, met het transport uit Indonesië en Maleisië erbij gerekend. In de meeste gevallen is de totaalbalans negatief. Het klimaatprobleem wordt op die manier eerder verplaatst en versterkt in plaats van beperkt. Dat kan niet de bedoeling zijn van de subsidies. Voor palmolie die als biobrandstof wordt gebruikt, heeft de Europese Commissie intussen regels opgesteld, net zoals voor alle andere biobrandstoffen. Zo mogen de biobrandstoffen niet afkomstig zijn van beschermde gebieden, natuurbossen en veengebieden. Ook moet de uitstoot significant lager liggen in vergelijking met benzine en diesel. Dat is een belangrijke stap, aangezien de biobrandstofrichtlijn de vraag naar palmolie zal doen toenemen. Dat verhindert echter niet dat er nog altijd bossen worden gekapt voor de productie van palmolie door andere afnemers zoals de voedings- en cosmetica-industrie en voor de energieproductie. Van Hoof: Bij het kijken naar oplossingen is het nodig dat we een onderscheid maken tussen het gebruik van palmolie in de voedings- en de cosmetica-industrie en het gebruik als biobrandstof voor het transport en de energieproductie. Als het enkel over voeding en cosmetica gaat, zijn de belangrijkste problemen het kappen van het regenwoud, de aanleg van plantages op veengronden en de problemen voor de lokale bevolking. Dat kan worden opgelost met een certificaatsysteem dat daarmee rekening houdt. Zo'n systeem bestaat vandaag al, maar het moet worden uitgebreid. Daarnaast moet er een apart circuit voor gecertificeerde palmolie komen. Voor het gebruik van palmolie als biobrandstof zijn bijkomende regels nodig. Daar is het belangrijk dat de cyclus in zijn geheel - vanaf de teelt tot het gebruik - een negatieve CO2-uitstoot heeft, en dus echt als groene brandstof kan worden beschouwd. Momenteel wordt daar te weinig aandacht aan besteed. Je zou kunnen zeggen dat de biomassasubsidies voor palmolie op die manier bijdragen tot het kappen van het regenwoud en het uitsterven van de orang-oetan. De Europese Unie heeft een eerste stap gezet door regels op te stellen voor het gebruik van biobrandstoffen in de transportsector, maar die gaan nog niet ver genoeg. Van Hoof: Algemeen gezien is er de laatste jaren een verhoogd bewustzijn merkbaar bij de consument, die meer belang hecht aan de invloed van producten zoals palmolie op het milieu. Op die manier wordt druk uitgeoefend op de gebruikers van palmolie - zoals onlangs bij de producten van Unilever en KitKat van Nestlé - zodat ook zij meer belang hechten aan de herkomst. Bedrijven die daar geen oog voor hebben, maken zichzelf commercieel kwetsbaar. De beloften die verschillende bedrijven kort geleden hebben gedaan over het gebruik van duurzame palmolie, zullen een positief effect hebben op de hele sector. De interesse van de publieke opinie voor de herkomst van palmolie heeft ook de belangstelling van de politiek voor deze zaak gewekt. Er wordt druk gezet op de lokale regeringen en er worden financieringsmechanismen opgezet om het regenwoud te beschermen en het gebruik van veengronden te voorkomen. Zo heeft Noorwegen een steun van 1 miljard dollar beloofd aan Indonesië om de ontbossing te bestrijden. Langzaam maar zeker zitten we op de goede weg naar een duurzame palmolie. Maar de transformatie moet sneller verlopen en ze moet verder gaan. Er is ook al veel onherstelbare schade toegebracht. Toch zijn er de laatste jaren belangrijke stappen gezet, zowel door bedrijven als consumenten en politici. Het is belangrijk dat we op dat elan doorgaan, anders zijn de gevolgen niet te overzien. (C)Door Eric Pompen"Bedrijven die geen oog hebben voor de invloed van palmolie op het milieu, maken zichzelf commercieel kwetsbaar." Heleen Van Hoof