EIGEN BEREKENINGEN.
...

EIGEN BEREKENINGEN.Volgens de wet van 26 juni 1996 die het concurrentievermogen van België moet vrijwaren, mogen de Belgische loonkosten niet sneller toenemen dan bij onze drie belangrijkste handelspartners: Duitsland, Frankrijk en Nederland (gewogen op basis van hun bruto binnenlands product). Deze aanpak heeft het voordeel niet achter de feiten aan te lopen, het nadeel dat de spons wordt geveegd over de sinds 1987 opgebouwde loonkostenhandicap. En die is niet miniem: eind 1996 (met 1987 als referentiejaar) bedroeg onze concurrentiehandicap tegenover Duitsland, Frankrijk en Nederland 6,8%. Eind 1998 was dit nog steeds 6,3%.In 1997 en 1998 zijn de loonkosten per voltijds werknemer met 4,8% gestegen, minder snel dan de 6,1% die als richtsnoer gold voor de loononderhandelingen. Dat succes is voor een groot deel te danken aan een lage(re) inflatie, die ook een matigende invloed had bij de drie partners. De loonkostenontwikkeling in België was zodoende nagenoeg identiek aan het gemiddelde in de referentielanden (zie tabel 1).In september 1998 besloot de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) dat "de maximale beschikbare marges voor de loonkostenontwikkeling voor de periode 1999-2000" 5,9% bedroeg (zie tabel 2). Deze marge ligt 0,15% lager dan de loonkostenevolutie bij de drie buurlanden omdat men toen nog rekening hield met een ontsporing van de Belgische loonkosten tegenover de buren met 0,2% in de voorbije twee jaar. Ontsporing die op basis van meer recente gegevens beperkt is gebleven tot 0,09% (4,8%-4,71%) (zie tabel 1). Het op 8 december 1998 ondertekende interprofessioneel akkoord voor de periode 1999-2000 schuift die 5,9% naar voor als richtsnoer voor de nu lopende sectorale onderhandelingen.De recente CAO-ontwikkelingen in de buurlanden wijken echter af van de CRB-cijfers (zie kaders Duitsland, Frankrijk en Nederland). Trends deed zelf een oefening naar wat de gevolgen kunnen zijn voor België. Voor Frankrijk wijzigen we niets, de evoluties lijken voor 1999 in lijn te liggen, voor 2000 zijn ze met de invoering van de 35-urenweek onvoorspelbaar. Ook in Nederland lijkt de realiteit weinig af te wijken van de verwachting. In Duitsland is de situatie echter heel anders. Het bereikte akkoord in de metaalsector is met zijn 3,46% in 1999 (3,2% per 1 maart en 350 mark voor januari en februari) en 4,2% in 2000 (1% eenmalige verhoging en - hypothetisch, want nog te onderhandelen volgend jaar - opnieuw een verhoging van 3,2%) een pak duurder dan de door de CRB gehanteerde 2,5% voor 1999 en 3,8% in 2000. Wanneer dit akkoord een tendens zou worden voor heel Duitsland, betekent dit dat de marge van 5,9% stijgt met 0,7% (zie tabel 3). Indien in andere sectoren de toename wat gematigder zou zijn en de stijging over twee jaar niet 1,3% maar bijvoorbeeld 0,6% zou zijn - wat door sommigen in Duitsland wordt verwacht - betekent dit nog steeds een stijging met ruim 0,3%. GUY CLÉMER