Het is verkeerd om alle Europese economieën over dezelfde kam te scheren. Zelfs de EMU-kernlanden Duitsland, Frankrijk en de Benelux vertonen onderling grote verschillen. Toch is er één constante : België presteert op alle vlakken erg pover. Dat blijkt uit een studie van de werkgeversfederatie Fabrimetal. Exclusief in Trends.
...

Het is verkeerd om alle Europese economieën over dezelfde kam te scheren. Zelfs de EMU-kernlanden Duitsland, Frankrijk en de Benelux vertonen onderling grote verschillen. Toch is er één constante : België presteert op alle vlakken erg pover. Dat blijkt uit een studie van de werkgeversfederatie Fabrimetal. Exclusief in Trends.Eind verleden jaar werd op de top van Dublin de Europese Monetaire Unie (EMU) definitief in de steigers gezet. Het eengemaakte Europa is daardoor opnieuw een stapje dichterbij gekomen. De kern van de Europese Unie bestaat uit Duitsland, Frankrijk en de Beneluxlanden. Dit trio, zo heet het, vormt eigenlijk nu al een economische eenheid. Wanneer men echter de economische prestaties van Duitsland, Frankrijk, Nederland en België vergelijkt, komen er aanzienlijke verschillen aan de oppervlakte. Opmerkelijk is wel dat België nagenoeg steeds als zwakste land naar voren komt.Remi Boelaert, directeur van het Economisch Departement van de werkgeversfederatie Fabrimetal, heeft de economische prestaties van België en zijn drie dominante handelspartners op een rijtje gezet. Boelaert, die ook enkele jaren adjunct-kabinetschef was van minister van Begroting Herman Van Rompuy, onderzocht zowel macro-economische, sectorale als ondernemingsspecifieke parameters. Zoals de totale scores uit tabel 1 aangeven, scoort België het slechtst (hoe hoger het puntenaantal, des te slechter de prestaties) op de macro-economische en ondernemingsgerichte niveaus. Alleen op sectoraal vlak doen de Duitsers het nog iets slechter dan wij. De tabellen 2 tot en met 10 bevatten de variabelen die in tabel 1 aanleiding geven tot de eindscores. Uit deze cijfers kunnen interessante conclusies worden getrokken.Macro-economischHet Nederlandse model is een realiteit. Op de vijf variabelen die leiden tot de totale macro-economische score, halen onze noorderburen drie keer goud (zie tabellen 2 tot en met 6). Alleen inzake fiscaliteit scoren ook zij niet erg goed (tabel 5). Op begrotingsgebied doet Frankrijk het nauwelijks beter dan België (zie tabel 6). Opmerkelijk is wel dat onze zuiderburen inzake sociale omgeving even goed scoren als de Nederlanders. Dit heeft niet alleen te maken met de lage loonkosten, maar ook met de flinke prestaties inzake werkonderbrekingen en afwezigheid (zie tabel 4). Uit de Fabrimetal-studie blijkt dat niet Frankrijk, maar wel Duitsland een haard van sociale onrust is. Frankrijk deed, bewust of onbewust, gedurende de jaren negentig aan competitieve devaluatie. Uit tabel 3 blijkt dat de Franse frank met 4,7 %-punt minder opwaardeerde dan de Duitse mark. De Belgische frank en de Nederlandse gulden stegen respectievelijk 2,7 %-punt en 3,5 %-punt méér dan de Franse munt. Tegelijk blijkt uit diezelfde tabel 3 dat over de periode 1991-1995 de Franse inflatie het minst steeg van de vier onderzochte landen. Er was dus vanuit het standpunt van de kostenverhoudingen geen enkele reden waarom de Franse frank minder zou moeten appreciëren dan de drie andere valuta. In de tabellen 2 tot en met 6 worden de vier landen op basis van in het totaal 25 variabelen beoordeeld. België haalt daarin vijf eerste plaatsen : de huidige toestand van de lopende rekening van de betalingsbalans, de afwezigheden in de bedrijven, de hoogte van de sociale bijdragen voor de werknemers, het begrotingstekort in 1996 en de evolutie van dat deficit in de periode 1991-1996. Op ondernemingsvlakBelgië en Nederland scoren hier bedroevend slecht, met voor Nederland een erg opvallende dualiteit : onze noorderburen scoren uitstekend inzake rendabiliteit en financiële structuur, maar presteren erg bleekjes op het gebied van innovatie en technologie (zie tabellen 7 en 8). De technologische zwakheden van het Nederlandse bedrijfsleven werden recentelijk nog aan de orde gesteld door de overkoepelende Nederlandse werkgeversorganisatie VNO. Is deze technologie-achterstand een tijdbom onder de stoere macro-economische prestaties van de Nederlanders ? België haalt geen enkele eerste plaats onder de tien criteria die hier worden bekeken. Tot de meest opvallende "prestaties" behoren de zwakke rendabiliteit van het eigen vermogen (onze ondernemers blijven rendabiliteitsgewijs dom : ze zouden hun geld beter in staatspapieren beleggen), de geringe graad van dekking van hightech-invoer door hightech-uitvoer en de lage O&O-bestedingen van onze overheid. Op sectoraal vlakUit tabellen 9 en 10 komt één echt opvallend gegeven naar voren : de zwakke prestaties van Duitsland, en dit precies in sectoren waarin de Duitsers wereldfaam genieten (bijvoorbeeld de machinebouw en de metaalsector). Het is duidelijk dat de forse loonsverhogingen in de periode 1994-95 ter zake een zware ravage hebben aangericht. Dit blijkt onder meer ook uit de relatie tussen productie- en tewerkstellingsevolutie zoals die uit tabel 10 naar voren komt. Johan Van Overtveldt REMI BOELAERT (FABRIMETAL) Vergeleken met onze belangrijkste handelspartners is de rendabiliteit van het eigen vermogen in België zwak. Onze ondernemers zouden hun geld beter in staatspapieren beleggen.