De jonge Albert, de latere koning Albert I, las gevaarlijke boeken, zo klaagde een raadgever van Leopold II over diens neef. Albert was de zoon van prins Philippe, de jongere broer van Leopold II. De leraren leverden aan hun pupil teksten van Marx, Bebel en de vrijdenker Herbert Spencer. Leopold II hechtte geen belang aan de waarschuwing, want Albert had voor hem geen belang, de troonopvolging was voor diens broer, Boudewijn. In maart 1895 schreef Albert in zijn dagboek: "De socialistische beweging is antidynastiek. Iets moet hieraan dringend gedaan worden."
...

De jonge Albert, de latere koning Albert I, las gevaarlijke boeken, zo klaagde een raadgever van Leopold II over diens neef. Albert was de zoon van prins Philippe, de jongere broer van Leopold II. De leraren leverden aan hun pupil teksten van Marx, Bebel en de vrijdenker Herbert Spencer. Leopold II hechtte geen belang aan de waarschuwing, want Albert had voor hem geen belang, de troonopvolging was voor diens broer, Boudewijn. In maart 1895 schreef Albert in zijn dagboek: "De socialistische beweging is antidynastiek. Iets moet hieraan dringend gedaan worden."De gravin van Vlaanderen, de moeder van Albert, betreurde in een brief aan haar dochter: "Albert kijkt naar de wereld door de obscure ogen van een socialist." Albert grossierde in bizarrerieën. Aan de Militaire School kwam hij onder de invloed van twee wiskundigen, die hun historische en politieke theorie baseerden op Brücks Wet. Deze leger-ingenieur meende dat de letterlijke lectuur van de bijbel, gecombineerd met berekeningen, de politieke ontwikkelingen voorspelde. De twee professoren "verbeterden" die theorie door er de afmetingen van de piramide van Cheops aan toe te voegen. Ook invloed had de socialist en antisemiet Emond Picard en zijn L'âme belge, een grondtekst van het belgicisme. Paul Belien: "Picard argumenteerde dat er in België twee volkeren leven met een verschillende taal, maar zij behoren beide tot het Belgische ras." Troonopvolger Boudewijn stierf onverwacht in 1891. Albert promoveerde tot kroonprins en Emile Sigogne en Emile Waxweiler werden zijn raadgevers. Sigogne was een hoge logebroeder en adviseur van de Belgische Werkliedenpartij. Zijn essay Socialisme et Monarchie bepleitte de harmonie tussen vorst en socialisme. Emile Waxweiler was een ingenieur, de intellectuele rechterhand van Ernest Solvay en grondlegger van het Institut de Sociologie van de ULB. Jules Ingenbleek, een linkse Vlaming, werd de secretaris van Albert. Samen bezochten zij de Engelse industriebekkens. Belien: "Albert had één idee dat het leidmotief zou worden van zijn regeerperiode: de socialistische beweging moest de steunpilaar worden van België." De kroonprins schreef: "Drie vijanden liggen rond mijn troon. Conservatieven die tegen de staat zijn, Vlaams-activisten die tegen de monarchie en de Belgische natie zijn, en demagogen die leunen op een katholicisme verwant met Franse volksdemocratie. Om de drie te weerstaan, kan ik alleen rekenen op de steun van het socialisme, want het is nationaal, gunstig gestemd over de Belgische eenheid en het centralisme - drie elementen die er een bondgenoot van de dynastie van maken." Na de triomfantelijke retour uit De Panne van koning Albert (ondanks het feit, onderbouwd in Beliens boek, dat Albert bewust grote afstand hield van de geallieerden en alleen toen zij zeker zouden winnen, zeer anti-Duits werd), installeerde de vorst een symbolische coalitie, een Belgische primeur. Katholieken, socialisten en liberalen moesten samen regeren. De kern is een corporatistische welvaartsstaat, waarbij de regering de staat beheert met de sociale partners. Belien: "Het management van ons welvaartssysteem is al 85 jaar uitbesteed aan de sociale partners en de regering. Zonder het parlement. De discussie over de splitsing van de sociale zekerheid ondergraaft het systeem van Albert I."