De voorbije paar jaar heeft de Amerikaanse economie de doemdenkers voortdurend ongelijk gegeven. Dat heeft voor een groot deel te maken met de schijnbaar onuitputtelijke bestedingsdrang van de Amerikaanse consument. Jaar na jaar heeft hij de tegenslagen van zich afgeschud - van de beursbubbel die uiteenspatte tot de brandstofprijzen die de pan uit rezen - en zijn portemonnee open gehouden. De belangrijkste aanleiding daarvoor is gekend. Lage interestvoeten leidden tot een bonanza van de huizenprijzen die de Amerikanen in staat stelde om meer te lenen en steeds minder te sparen.
...

De voorbije paar jaar heeft de Amerikaanse economie de doemdenkers voortdurend ongelijk gegeven. Dat heeft voor een groot deel te maken met de schijnbaar onuitputtelijke bestedingsdrang van de Amerikaanse consument. Jaar na jaar heeft hij de tegenslagen van zich afgeschud - van de beursbubbel die uiteenspatte tot de brandstofprijzen die de pan uit rezen - en zijn portemonnee open gehouden. De belangrijkste aanleiding daarvoor is gekend. Lage interestvoeten leidden tot een bonanza van de huizenprijzen die de Amerikanen in staat stelde om meer te lenen en steeds minder te sparen. Maar die combinatie kan niet oneindig worden aangehouden. De kans is groot dat in 2006 een ommekeer plaatsvindt. De consumenten worden het komende jaar van drie zijden belaagd: de brandstofprijzen blijven hoog, de huizenprijzen zullen stagneren en in sommige gebieden zelfs dalen, en de inflatiekriebels zullen de interesten omhoog jagen. Het gevolg is een scherpe daling van de consumentenbestedingen, hoewel die tijdelijk - en deels - zal worden getemperd door een stijging van de overheidsuitgaven en privé-investeringen. Naarmate het herstel aan de Golfkust op gang komt, zal het algemeen groeiritme van de binnenlandse vraag naar alle waarschijnlijkheid gehalveerd worden, van rond 4 % in 2005 naar amper iets meer dan 2 % in 2006. De vertraging kan echter nog een stuk groter zijn. De effecten van de hoge brandstofprijzen zullen vooral tijdens de wintermaanden worden gevoeld. Het krappe aanbod van geraffineerde petroleumproducten maakt het onwaarschijnlijk dat de prijs van een tank benzine de komende maanden spectaculair zal dalen. De Amerikanen zullen ook aanzienlijk meer moeten betalen voor hun lichte stookolie dan een jaar geleden. Hoewel de extreme prijs- pieken veroorzaakt door de orkanen Katrina en Rita slechts een kort leven beschoren waren, betaalden de Amerikanen begin oktober 2005 nog altijd 2,90 dollar voor een gallon benzine, een kwart meer dan in juli en bijna 60 % meer dan een jaar eerder. Lichte stookolie zou deze winter wel eens de helft meer kunnen kosten dan een jaar geleden. Als de huizenprijzen blijven stijgen, is het niet uitgesloten dat de consumenten die hogere kosten compenseren door hun spaarvolume nog meer terug te schroeven. In de lente van 2005 lag de prijs van een doorsnee woning bijna 15 % hoger dan een jaar eerder en dat was het snelste groeiritme van de vastgoedinflatie in meer dan een kwarteeuw. Meer dan 80 % van de toename van de hypothecaire schuldenlast tijdens de voorbije paar jaar kan worden toegeschreven aan gezinnen die lenen op basis van de hogere waarde van hun woning. Na een onverbiddelijke daling gedurende de voorbije jaren is de spaarquote van de gezinnen in juli uiteindelijk negatief geworden. Er zijn echter aanwijzingen dat die frivoliteit nu afneemt en dat de consumenten zich stilaan zorgen beginnen te maken. In vele Amerikaanse steden worden de huizen te duur. De verhouding van de inkomensmediaan tot de mediaan van de hypotheekafbetalingen - een goede maatstaf voor de betaalbaarheid - staat op haar hoogste peil sinds 1989, toen de Amerikaanse vastgoedmarkt voor het laatst piekte. De lijsten van onverkochte woningen worden langer en de aanvragen voor hypotheekleningen nemen af. De parameters van het consumentenvertrouwen doken in september naar beneden. Stijgende interestvoeten zullen de ongerustheid waarschijnlijk nog aanwakkeren. Ondanks hun gestage opmars sinds juni 2004, zijn de reële kortetermijnintresten nog altijd maar amper positief. Door de snel toenemende brandstofkosten ligt de algemene inflatie bij 4 %, het hoogste peil sinds het begin van de jaren negentig. Wat echter meer zorgen baart, is dat de verwachtingen in verband met de toekomstige inflatie scherp gestegen zijn. Dat alles lijkt erop te wijzen dat, tenzij de economie knarsend tot stilstand komt, de interesten op korte termijn een aanzienlijk hogere vlucht zullen nemen, misschien zelfs tot boven de 5 %. De inflatiekriebels zullen ook de opbrengsten van langetermijnobligaties naar boven duwen, hoewel het mogelijk is dat de langetermijnrenten beneden de kortetermijninteresten zullen liggen tijdens een groot deel van 2006. Het begrotingsbeleid wordt in 2006 een wildcard, afhankelijk van de omvang van de bijkomende bestedingen in verband met de orkaanschade en de wijze waarop die gefinancierd zullen worden. In Washington wordt er doorgaans van uitgegaan dat de totale kostprijs zowat 200 miljard dollar zal bedragen, net iets meer dan 1 % van het BBP. Als het gros van dat geld uitgegeven wordt in 2006, zal dat leiden tot een aanzienlijke hausse van de budgettaire uitgaven, tenzij er tegelijk gesnoeid wordt in andere overheidsuitgaven. Dergelijke besparingen lijken echter onwaarschijnlijk. In november 2006 worden tussentijdse verkiezingen gehouden en de leiders in het Congres zullen wel wachten met pijnlijke bezuinigingen. Het is veel waarschijnlijker dat de politici in Washington zullen kiezen voor de gemakkelijke weg en gewoon meer zullen lenen om de wederopbouw na de orkanen te financieren. Het Amerikaanse begrotingstekort kan in 2006 gemakkelijk opklimmen naar 3,5 % van het BBP of meer. Als dat gebeurt, dan zou het toegenomen begrotingstekort de opwaartse druk op de interesten nog versterken en het risico op een ernstige vertraging op de woningmarkt verhogen. Zelfs als de huizenprijzen gewoon afvlakken, zullen de bestedingen van de consumenten getroffen worden. Als de prijzen dalen, zal de klap des te groter zijn. Het effect van een vertraging op de woningmarkt zal bovendien uitdijen, de residentiële vastgoedinvesteringen fnuiken en de werkgelegenheid treffen. Door de boom in de bouw vertegenwoordigen de residentiële vastgoedinvesteringen thans 6 % van het BBP, het grootste aandeel sinds 1955. Alles bij elkaar houden vier op de tien banen die de voorbije jaren gecreëerd werden, verband met de huisvestingsboom. Bovendien leert de ervaring in andere landen zoals Australië en Groot-Brittannië, die hun vastgoedmarkten zagen afkoelen, dat de weerslag op het verbruik vrij spectaculair kan zijn. Een redelijke vertraging van het binnenlandse verbruik is wat de Amerikaanse economie en de wereldeconomie nodig hebben. Omdat er zo weinig gespaard wordt, hangen de Verenigde Staten in toenemende mate af van grote kapitaalstromen uit het buitenland. Het tekort op de lopende rekening bedraagt nu meer dan 6 % van het BBP en het ziet ernaar uit dat, tenzij er een significante vertraging van de bestedingen optreedt, het in 2006 zal stijgen naar 7 % van het BBP of meer. Hoewel de VS er weinig moeite mee hadden om dat tekort te financieren, onder meer dankzij een zonderling gebrek aan investeringen in het buitenland, toch kan dat extravagante externe leningritme niet oneindig aangehouden worden. Om het externe deficit van de Verenigde Staten naar beneden te halen, moet de groei van de binnenlandse bestedingen trager worden dan die in de rest van de wereld. Het probleem is dat om het even welke vertraging in de bestedingen onaangenaam zal aanvoelen in een land dat een snelle consumptiegroei gewend is. Gegeven Amerika's graad van verslaving aan vastgoed, bestaat het risico dat de bestedingen plots en scherp zullen vertragen. Ook al zal dat leiden tot een meer evenwichtige economie, het betekent ook dat er in 2006 weinig pret te beleven zal vallen. De auteur is economieredacteur voor The Economist in Washington. Zanny Minton Bedoes