België telt drie hoge rechtscolleges. Het oudste is het Hof van Cassatie. Daarna volgt de Raad van State en het jongste is het Arbitragehof. Elk van deze eerbiedwaardige instellingen heeft eigen bevoegdheden. Het Arbitragehof heeft onder meer de taak te waken over het respect voor het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel.
...

België telt drie hoge rechtscolleges. Het oudste is het Hof van Cassatie. Daarna volgt de Raad van State en het jongste is het Arbitragehof. Elk van deze eerbiedwaardige instellingen heeft eigen bevoegdheden. Het Arbitragehof heeft onder meer de taak te waken over het respect voor het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. Het bewaken van dat gelijkheidsbeginsel gebeurt op twee manieren. Ten eerste kan het Arbitragehof wettelijke bepalingen vernietigen zodra het vaststelt dat de betrokken bepaling discriminerend is. Vervolgens kan het Hof ook in antwoord op een prejudiciële vraag vaststellen dat een bepaalde wettelijke regeling discriminerend is. Van een prejudiciële vraag is er sprake als een andere rechtsinstantie geconfronteerd wordt met een wettelijke regeling die mogelijkerwijs discriminerend is. Zij kan, en moet dan soms, vooraleer over de gerezen betwisting uitspraak te doen, het Arbitragehof ondervragen over het discriminerende karakter van de betrokken wetsbepaling. Zij stelt dan, wat men noemt, een prejudiciële vraag. De beide procedures verschillen op meerdere punten. Een vernietiging van een discriminerende wetsbepaling kan slechts gedurende een korte periode worden gevraagd. In de regel bedraagt de termijn zes maanden vanaf de publicatie van de betrokken bepaling in het Belgisch Staatsblad. Voor het stellen van een prejudiciële vraag bestaat er geen termijn. Wie morgen vindt dat hij discriminerend behandeld wordt door een wettelijke bepaling die bijvoorbeeld nog dateert van honderd jaar geleden, kan altijd nog de rechtbank verzoeken een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. Gevolg. Een tweede verschil betreft de gevolgen. Een vernietigingsarrest heeft tot gevolg dat de discriminerende wetsbepaling in principe met terugwerkende kracht uit de rechtsorde verdwijnt. Zij bestaat niet langer. En dat gevolg heeft uitwerking tegenover iedereen. Het vernietigingsarrest opent ook een nieuwe bijzondere bezwaartermijn. Al wie slachtoffer geworden is van de - nu vernietigde - discriminerende wetsbepaling kan nog gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de publicatie van het vernietigingsarrest in het Belgisch Staatsblad, bezwaar aantekenen; ook als de gewone bezwaartermijn inmiddels al lang verstreken zou zijn. Een arrest waarbij het Arbitragehof in antwoord op een prejudiciële vraag een wettelijke bepaling discriminerend noemt, heeft een veel minder verstrekkend gevolg. Het laat de betrokken wetsbepaling gewoon bestaan. In principe heeft het alleen tot gevolg dat de rechter die de vraag heeft gesteld, in het betrokken geval geen toepassing zal maken van de discriminerende bepaling, of dat hij haar zal toepassen op een manier die niet langer discriminerend is. Een dergelijk arrest heeft in beginsel ook geen uitwerking tegenover derden. Fiscaal. Maar dat betekent niet dat een dergelijk arrest derden niet tot voordeel kan strekken. Neem bijvoorbeeld een arrest waarbij het Arbitragehof in antwoord op een prejudiciële vraag een wettelijke bepaling inzake inkomstenbelastingen discriminerend noemt. In eerste instantie zal dit arrest alleen maar uitwerking hebben voor de belastingplichtige die partij is in het geding. Het heeft geen rechtstreekse uitwerking voor andere belastingplichtigen die geen partij zijn in het geding. Maar het heeft wel een grote precedentswaarde. Elke andere belastingplichtige die van dezelfde discriminerende bepaling nadeel ondervindt, weet nu met zekerheid dat hij het recht aan zijn kant heeft. Als hij naar de rechter stapt, krijgt ook hij gelijk. Het volstaat daarom het arrest in het kader van een (gewoon) bezwaarschrift in te roepen. De administratie zal er normaal gezien rekening mee houden. Ontheffing. De vraag is gerezen of men een dergelijk arrest (dat antwoordt op een prejudiciële vraag) ook kan inroepen bij een verzoek tot ambtshalve ontheffing. Het voordeel ligt voor de hand. Voor een gewoon bezwaarschrift heeft men slechts zes maanden tijd. Een ontheffing van ambtswege kan gedurende drie jaar aangevraagd worden (te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting gevestigd werd). Een ambtshalve ontheffing is onder meer mogelijk wanneer de overbelasting blijkt uit een nieuw feit. Het probleem is evenwel dat in de wet uitdrukkelijk te lezen staat dat een nieuw rechtsmiddel of een wijziging van jurisprudentie niet als een nieuw feit kan worden beschouwd dat een ontheffing van ambtswege kan rechtvaardigen. Sommige rechtbanken hebben hieruit afgeleid dat een arrest van het Arbitragehof dat in antwoord op een prejudiciële vraag een fiscale wetsbepaling discriminerend noemt, niet als een nieuw feit kan worden aangemerkt, en dus geen basis kan vormen voor een verzoek tot ontheffing van ambtswege. Maar opnieuw snelt het Arbitragehof de belastingplichtige ter hulp. De belastingplichtigen worden volgens het Hof gediscrimineerd als een dergelijk arrest niet als een nieuw feit wordt aangemerkt. Het pad naar een ontheffing van ambtswege ligt nu dus breed open. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck