Een techniek die 'gestuurd boren' genoemd wordt, verandert het uitzicht van de energiewinning. Vijftien jaar geleden gingen boorschachten recht naar beneden, met hooguit een flauwe curve onderweg. Tegenwoordig kunnen schachten verticaal geboord worden tot op een diepte van verscheidene kilometers, om dan scherp te draaien en horizontaal voort te gaan over een afstand die kan oplopen tot 12 kilometer.
...

Een techniek die 'gestuurd boren' genoemd wordt, verandert het uitzicht van de energiewinning. Vijftien jaar geleden gingen boorschachten recht naar beneden, met hooguit een flauwe curve onderweg. Tegenwoordig kunnen schachten verticaal geboord worden tot op een diepte van verscheidene kilometers, om dan scherp te draaien en horizontaal voort te gaan over een afstand die kan oplopen tot 12 kilometer. Met die techniek wordt de actieradius van een boorplatform aanzienlijk uitgebreid ( zie grafiek). Om dat te illustreren wijst Will Grace van Schlumberger op krabbels en arceringen op een computerscherm in een van de 34 kantoren die Schlumberger runt in de Schotse oliestad Aberdeen. De lijnen geven de vooruitgang weer van een boorput die enkele uren eerder afgerond werd voor een Canadees petroleumbedrijf. De put is 4 km diep en kruipt dan 2 km horizontaal verder om te eindigen op amper een meter van het doel. Instrumenten die ingebouwd zitten in de boorstangen geven tientallen gegevens door over onder meer de radioactiviteit van het omringende gesteente en zijn weerstandsvermogen tegen elektromagnetische golven. In dit geval is de radioactieve straling gering, wat aangeeft dat het om zand gaat, en is de soortelijke weerstand hoog, wat aangeeft dat het olie bevat. Dat is tovenarij waar slechts weinig ondernemingen aan kunnen tippen. Firma's als Schlumberger, die diensten leveren op olievelden ( oilfields services, OFS), zijn de onbekende werkpaarden van de petroleumindustrie. Ze doen het grootste deel van het zware werk dat nodig is om olie en gas te vinden en te ontginnen. Ze zijn veel minder bekend dan de oliebedrijven die een beroep doen op hun diensten, maar ze zijn wel enorm winstgevend. Schlumberger boekte vorig jaar een winst van 5 miljard dollar op een omzet van 40 miljard dollar. Het succes van Schlumberger wijst op een machtsverschuiving in de olie-industrie. Tot het einde van de jaren negentig waren de OFS-firma's veel kleiner en brachten hun weinig gecompliceerde taken, zoals het boren van verticale schachten, slechts kleine marges op. Dat is nu spectaculair veranderd. Maar met de hoge olieprijs reppen de oliemaatschappijen zich om het goedje op te pompen uit steeds moeilijker bereikbare bronnen. In het voorbije decennium zijn de jaarlijkse uitgaven van de olie-industrie voor exploratie en productie verviervoudigd, terwijl de olieproductie slechts met 12 procent gestegen is. De grote dienstenbedrijven groeiden intussen met zowat 10 procent per jaar. Er zijn drie soorten OFS-bedrijven. Sommige vervaardigen en verkopen uitrusting voor gebruik op boorplatformen of op de zeebedding. Ze dragen namen als FMC, Cameron en National Oilwell Vasco en zijn stuk voor stuk meer dan 10 miljard dollar waard. Andere bezitten en verhuren boorplatformen; voorbeelden zijn Transocean, Seadrill, Noble en Rowan. De derde groep voert het gros van de taken uit die nodig zijn om olie te vinden en te ontginnen. Daar vinden we vier reuzen: Schlumberger, Halliburton, Baker Hughes en Weatherford International. Tot de jaren tachtig ging het daarbij om relatief kleine bedrijven. Toen vonden verschillende oliemaatschappijen dat het niet meer de moeite loonde om de saaie boortaken nog langer in eigen huis te houden. Olie vloeide vlot en de boringen brachten lage marges op. Dus besteedden de majors ze uit en dat bezorgde de OFS-firma's ruimte om te groeien. Ze groeiden zelfs nog sneller in het begin van de jaren negentig toen de oliemarkt aantrok en de vraag naar nieuwe technologie aanwakkerde. Dat leidde tot doorbraken in driedimensionale seismologie en gestuurd boren, die het mogelijk maakten om olie ver beneden het zeeoppervlak en uit uitgeputte en eerder opgegeven putten te winnen. Zulke uitvindingen zijn niet goedkoop. Schlumberger investeert ruwweg 1 miljard dollar per jaar in onderzoek en ontwikkeling, een niveau dat het zelfs aanhield tijdens de inzinking na de financiële crisis van 2008. De grote OFS-ondernemingen vragen op dit ogenblik meer octrooien aan dan de oliemajors. Waarschijnlijk zal de oliesector steeds meer afhankelijk worden van de OFS's. De globale productie van de ontwikkelde olievelden daalt met 2 tot 6 procent per jaar. Omdat de vraag naar olie met 1 tot 2 procent per jaar toeneemt, is de vrees voor een tekort nooit ver weg. Oliemaatschappijen gaan op zoek in steeds verder afgelegen plekken zoals de Noordpool en de diepzee voor de kust van Brazilië. Achteraf bekeken lijkt de beslissing van de oliemaatschappijen om de minder sexy delen van hun job uit te besteden een gemiste kans. Het maakte de oliefirma's afhankelijk van steeds duurdere en meer begeerde diensten, die maar door een klein aantal OFS-firma's geleverd kunnen worden. Nog erger is het voor Exxon, BP en consorten dat dit alles gebeurt op het moment dat de staatsoliemaatschappijen zich op het toneel gehesen hebben. In de voorbije paar decennia hebben zij de beste plekjes in de olievelden opgeëist. De OFS-firma's hebben hen daarbij geholpen. Vroeger huurden de staatsgiganten oliemajors in om het werk voor hen te doen, nu kunnen ze de projecten zelf aan en halen ze technische hulp bij de dienstenfirma's. Toch is het uiterst voorbarig om Exxon zomaar af te schrijven. De op prestatie gebaseerde contracten van Schlumberger zijn niet te vergelijken met het echte bezit van oliereserves - iets waaraan de onderneming zegt zich nooit te zullen wagen. Het ontbreekt de onderneming namelijk aan het gigantische balanstotaal dat de oliemaatschappijen aanhouden om de enorme risico's van de olie-exploratie te beheren. Het mangelt haar ook aan Exxons expertise om enorme projecten te managen. En ze wil ook haar klanten niet tegen de haren in strijken door hen concurrentie aan te doen. THE ECONOMISTDe grote leveranciers van oilfield services vragen op dit ogenblik meer octrooien aan dan de oliemajors. Achteraf bekeken lijkt de beslissing van de oliemaatschappijen om de minder sexy delen van hun job uit te besteden een gemiste kans.