Zowat een half jaar geleden bond de Nationale Bank de kat de bel aan. De toezichthouder sloeg alarm over de situatie bij bepaalde verzekeraars. Door de aanhoudend lage rente konden sommige maatschappijen het moeilijk krijgen hun toekomstige verplichtingen af te dekken. Vooral verzekeraars met veel contracten met een hoge gegarandeerde rente in hun portefeuille dreigden in de problemen te komen, oordeelde de NBB.
...

Zowat een half jaar geleden bond de Nationale Bank de kat de bel aan. De toezichthouder sloeg alarm over de situatie bij bepaalde verzekeraars. Door de aanhoudend lage rente konden sommige maatschappijen het moeilijk krijgen hun toekomstige verplichtingen af te dekken. Vooral verzekeraars met veel contracten met een hoge gegarandeerde rente in hun portefeuille dreigden in de problemen te komen, oordeelde de NBB. Gouverneur Jan Smets wees erop dat er nog heel wat levensverzekeringscontracten uitstonden met een gegarandeerde rente van 3,25 tot 4,75 procent. En dat terwijl de verzekeraars hun activa (50 % overheidsobligaties) tegen de veel lagere marktrente moeten herbeleggen. Bij elke herbelegging daalt het rendement en stijgt het risico dat de verzekeraars op termijn in gebreke blijven. Dat renterisico komt vooral voor in levensverzekeringen. Daarom zijn de meeste verzekeringsmaatschappijen ook actief in schadeverzekeringen. Een goed evenwicht tussen leven en niet-leven is de beste vorm van risicospreiding. De markt van schadeverzekeringen mag dan al weinig groeien en zeer concurrentieel zijn, sinds enkele jaren stijgen de premies en met een goed beheer van de risico's en voldoende interne operationele efficiëntie kan het een winstgevende activiteit zijn. Verzekeraars met een specialisatie in levensverzekeringen hebben die bescherming niet. Integrale is zo'n mono-verzekeraar. De Nationale Bank verplichtte de instelling recentelijk een herstelplan in te dienen. De toezichthouder is er niet van overtuigd dat de kapitaalbuffers van Integrale voldoen aan de normen van de Europese Solvency II-regels voor verzekeraars en eist een strengere risico-inschatting en -beheer. Hoe komt het dat Integrale in het vizier van de toezichthouder loopt? In de eerste plaats omdat de verzekeraar gespecialiseerd is in groepsverzekeringen. Van de 2,6 miljard euro reserves die Integrale eind 2014 beheerde, had meer dan driekwart betrekking op aanvullende pensioenen via de werkgever (tweede pijler). In groepsverzekeringen speelt het negatieve effect van de lage rente dubbel zo hard. Tot voor kort legde de overheid via de wet op de aanvullende pensioenen gegarandeerde rentes van 3,75 en 3,25 procent op. Die rendementen zijn niet langer te behalen met risicoloze beleggingen zoals overheidspapier. Verzekeraars hebben hun commerciële rentes dan ook teruggeschroefd, waardoor het verschil met de wettelijk gewaarborgde rentes ten laste van de werkgevers valt. Maar bij Integrale zijn precies die werkgevers de 'aandeelhouders'. Het klantenbestand van Integrale bestaat hoofdzakelijk uit ondernemingen, groot en klein, uit zowat alle regio's en sectoren. Onder de bijna 5000 bedrijfsklanten bevinden zich ronkende namen als ArcelorMittal, Umicore, Van Hool, TNT, CFE, Bosal en Saint-Gobain. De kern van het probleem is het bedrijfsmodel van Integrale. De verzekeraar is een zogenaamde onderlinge maatschappij of gemeenschappelijke verzekeringskas. Dat betekent dat de instelling in de praktijk werkt als een soort mutualiteit, een pensioenfonds voor meerdere bedrijven. De klanten moeten lid worden van Integrale en hebben stemrecht op de algemene vergadering. Externe aandeelhouders zijn er niet. Tot nu toe sprongen vooral de voordelen van dat model in het oog. Onderlinge maatschappijen werken exclusief in het belang van de aangeslotenen, zijn in de regel zeer kostenefficiënt en kunnen een hoog rendement voorleggen. De winst wordt niet afgeroomd, ze wordt volledig verdeeld onder de leden. Bovendien krijgt iedereen evenveel. Andere onderlinge maatschappijen in België zijn onder meer P&V en Federale Verzekering. Die laatste maakt niet toevallig reclame met de slogan 'De verzekeraar die zijn winst met u deelt'. Eigenlijk zijn onderlinge verzekeraars wat coöperaties in de banksector zijn. En daar heeft de praktijk uitgewezen dat coöperatieve banken in crisissituaties niet snel extra kapitaal kunnen tanken. Terwijl sterke kapitaalbuffers gelden als de beste bescherming tegen problemen. Daardoor besteden de toezichthouders in de financiële sector sinds 2008 bijzondere aandacht aan alles wat op een coöperatief model geschoeid is. De voorbije jaren trachtte Integrale de gewaarborgde rentes op de groepsverzekeringen zo hoog mogelijk te houden om zijn klanten-leden van dienst te zijn. In 2013 en 2014 was dat nog 2,25 procent, maar dat werd met een winstdeelname aangevuld tot 3,25 procent. Het doel was ervoor te zorgen dat de werkgever geen euro moest bijpassen met wat de wet op de aanvullende pensioenen voorschrijft. Dat lukte onder meer doordat Integrale meerwaarden op zijn obligatieportefeuille realiseerde. Maar meerwaarden realiseren impliceert dat er minder obligaties overblijven om toekomstige verplichtingen te dekken. Daarom verlaagde Integrale op 1 april 2015 de gegarandeerde rente naar 1,60 procent. In vergelijking met andere aanbieders was dat nog altijd een van de beste rendementen op de markt. Bovendien garandeert Integrale, in tegenstelling tot andere verzekeraars, die rente ook op de toekomstige recurrente premies. Daardoor heeft het nog veel contracten in portefeuille die een hoog rendement (soms meer dan 4,75 %) voor toekomstige premies blijven garanderen. Naar verluidt was dat een van de redenen waarom de Nationale Bank de verzekeraar ter verantwoording riep. Een andere reden is de invoering van Solvency II in de verzekeringssector op 1 januari 2016. Dat prudentieel systeem verplicht verzekeringsmaatschappijen hogere kapitaalbuffers aan te leggen voor risicovolle activiteiten en crisissituaties. Onderlinge maatschappijen waren in het verleden gewoon te werken met een minimale kapitaalbasis. Veel provisies werden niet aangelegd, het doel was de leden een zo hoog mogelijk rendement te bieden en de rest van de winst werd verdeeld. Nu komt daar de verplichting bij om zware kapitaalbuffers op te bouwen. Integrale was zich van dat probleem bewust en ondernam de voorbije jaren al enkele stappen. In 2014 werd een achtergestelde lening van 150 miljoen euro, die voor een deel meetelt als eigen vermogen, succesvol geplaatst. 31 miljoen euro van de winst uit 2014 werd aan het reservefonds toegevoegd. Dit jaar werd bovendien het garantiefonds (bij Integrale de basis van het eigen vermogen) verdubbeld in omvang, van 30 tot 60 miljoen. Investeerders zoals Ethias en de Franse groep MGEN pompten er 30 miljoen euro verse middelen in. Ten slotte verkocht Integrale de voorbije maanden zijn laatste resterende aandelenposities (waarde 160 miljoen euro), om een groter kapitaalbeslag onder Solvency II te vermijden. Daardoor is de verzekeraar nu vooral belegd in staats- en bedrijfsobligaties. Om het rendement op te krikken en de inkomsten te diversifiëren, belegt Integrale steeds meer in vastgoed. Dat maakt nu al 20 procent van de investeringsportefeuille uit. De Nationale Bank eist echter dat de verzekeraar meer écht eigen vermogen (kapitaal, geen achtergestelde leningen) aanhoudt. Eind 2014 bedroeg het eigen vermogen sensu stricto 47 miljoen euro (inclusief het garantiefonds van 30 miljoen euro). Aan Integrale is gevraagd maatregelen voor te stellen om de kapitaalbasis te versterken. Waarnemers gaan ervan uit dat de instelling nu al de minimale solvabiliteitsratio van 100 procent onder Solvency II haalt. Maar een ruimere marge zou welkom zijn. Dat vindt ook de Nationale Bank. Patrick ClaerhoutOnderlinge maatschappijen waren gewoon niet veel provisies aan te leggen, het doel was de leden een zo hoog mogelijk rendement te bieden en de rest van de winst werd verdeeld.