C ockerill Sambre is van Usinor. Nu de Franse staalreus voor 26 miljard frank 53% van de aandelen overneemt van de Waalse regering (de Société Wallonne pour la Sidérurgie houdt een blokkeringsminderheid van 25%) lopen Usinors directeur-generaal Francis Mer (59 j.) en de afscheidnemende Cockerill-topman Jean Gandois (67 j.) elkaar weer tegen het lijf.
...

C ockerill Sambre is van Usinor. Nu de Franse staalreus voor 26 miljard frank 53% van de aandelen overneemt van de Waalse regering (de Société Wallonne pour la Sidérurgie houdt een blokkeringsminderheid van 25%) lopen Usinors directeur-generaal Francis Mer (59 j.) en de afscheidnemende Cockerill-topman Jean Gandois (67 j.) elkaar weer tegen het lijf. De twee grootheden van het Europese staal kruisten eerder dit jaar al elkaars wegen in het Centre National des Patrons français ( CNPF), de Franse werkgeversorganisatie. Mer stelde toen zijn mandaat als voorzitter van de internationale commissie ter beschikking... nadat algemeen voorzitter Gandois met slaande deuren vertrok tijdens de discussie over de 35-urenweek. Om Cockerill te vriend te houden, klonk het toen in de wandelgangen. Misschien ligt het aan hun gelijklopende carrières, aan de rode draad van staal, staatsinstellingen en privatiseringen die door hun beroepsleven loopt, maar Mers leven vertoont wel meer parallellen met dat van Gandois. Mer, in 1939 geboren in Pau, is een overtuigd katholiek met wortels in het Franse zuiden. Hij houdt van het Bordeauxse landschap en aanbidt de wijnen van die streek. Achter zijn bureau evenwel legt hij de zuiderse ongedwongenheid van zich af. Dan wordt hij een Pietje precies, die met strenge blik de nodige afstand bewaart. Tot een verdwaalde kwinkslag plots weer zijn zuiderse warmte blootlegt. Net als Gandois ook is Mer een énarque - hij studeerde af als mijningenieur aan de Ecole Polytechnique Nationale in 1966 - die zijn carrière begon in dienst van de Franse overheid. Eerst werkte hij in de administratie Mijnen van het ministère de l'Industrie, één jaar later als raadgever van het garantiefonds voor de Conseil de l'Entente in Abidjan (1967-1968), vervolgens in het interministeriële comité voor Europese samenwerking (1969-1970). Vijf jaar na zijn afstuderen trok hij naar de privé-sector, meer bepaald naar de Franse bouwmaterialen- en glasgroep Saint-Gobain, waar hij in 1974 tot directeur werd benoemd. De rabiate rugby- en operaliefhebber werd er al snel directeur-generaal. Mer stootte ook door tot het establishment van de Franse staalindustrie: president Jacques Chirac wees in 1986 in zijn richting om de fusie van Usinor en Sacilor te leiden; negen jaar later vroeg de regering van Alain Juppé hem of hij Usinor en Sacilor wilde privatiseren. Mer bekleedt ook mandaten in de Europese en wereldfederatie van staalfabrikanten, in de Association Nationale de la Recherche Technique in Frankrijk, bij het Centre des Etudes Prospectives et d'Informations Internationales ( CEPII), het beroemde Franse orgaan dat internationale overeenkomsten onderzoekt en buitenlandse economieën doorlicht. Mer heeft dan ook zijn sporen verdiend. Van een log staatsbedrijf evolueerde Usinor in drie jaar tijd tot een van de sterkste exponenten van de Franse vrije markt. Dat is vooral te danken aan het onderhandelingstalent van Mer. Voor zijn Usinor ging de directeur-generaal al op koopjesjacht in Brazilië en Thailand, hij onderhandelde over een deal met het Spaanse staalbedrijf CSI (wat niet doorging) en tekende vorige week een overeenkomst over Cockerill Sambre. Intussen stoot hij meedogenloos Franse afdelingen af die onvoldoende bijdragen tot de verdere ontwikkeling van de staalgroep. In de sanering van het Franse staal vielen evenveel lijken uit de kast als bij de herstructurering van het Waalse staal. Mer heeft bloed aan de vingers: in de tien jaar die volgden op de fusie van Usinor en Sacilor in 1986 sneuvelden 25.000 jobs. Evenwel zonder één naakt ontslag. Daarom beroept Mer zich, net als zijn collega Gandois, die anderhalf decennium geleden de hakbijl hanteerde bij Cockerill Sambre, op zijn sociale kant: "Een staalfabriek moet concurrentieel zijn op het vlak van kosten, kwaliteit en dienstverlening. Als dat niet het geval is, moet ze dicht," argumenteerde hij naar aanleiding van de sluiting van Forges de Clabecq. Maar hij pleitte meteen ook voor grote reconversiemogelijkheden. Want: "Een economisch systeem moet ten dienste staan van de mens. Niet omgekeerd." Hij zegt het met overtuiging, maar zonder te vervallen in slogans. Want Mer schuwt de media en vermijdt de goedkope publiciteit van holle woorden. "Misschien verkoop ik me niet goed genoeg," mijmert de kersverse voorzitter van het International Iron and Steel Institute ( IISI) wel eens. Nochtans houdt Mer van praten en overleggen. Sinds 1995, toen hij aan het hoofd kwam van het geprivatiseerde Usinor, ondertekent hij het ene na het andere akkoord met de vakbonden. Het verheft Usinor tot een toonbeeld van sociale inventiviteit: elke arbeider kan er deeltijds werken (12% van de werknemers maakt daar inmiddels gebruik van), een derde van alle 50-plussers schakelde over op vier vijfde van hun volle uurrooster, het brugpensioen kan vijf jaar eerder dan de Franse norm worden opgenomen en werkuren kunnen worden opgespaard en naar eigen goeddunken als vrije tijd worden opgenomen. Een ingrijpend beleid, dat zowel sociaal als economisch vruchten heeft afgeworpen. De loodzware verliezen van 1986 bij Usinor zijn al lang aangezuiverd: in 1988 klauterde het Franse staal uit de rode cijfers, vandaag is Usinor het derde staalbedrijf in de wereld, zij het vooral met een Europese uitstraling (driekwart van de omzet in 1997).Ook de Belgische vakbonden mogen de man die 4000 nieuwe jobs belooft en van het zwarte land in Charleroi het wereldwijde centrum voor verzinkt staal wil maken. Want Francis Mer hakt moeiteloos knopen door, maar hij verkiest de consensus. Hij overlegt met zijn luitenants - de verschillende afdelingshoofden -, speelt hen informatie door en geeft ze inspraak. Omdat hij geen twee keer dezelfde fouten wil maken. Toen Usinor de jacht opende op CSI, liepen de onderhandelingen spaak op het arrogante Franse lobbywerk, waardoor Usinor in allerijl een samenwerkingsverband met CSI's overnemer Arbed moest smeden. Zo'n politieke knoop wilde Mer koste wat het kost vermijden in het Cockerill-dossier. Dus luisterde hij aandachtig naar de uiteenzetting van tientallen Belgische gesprekspartners, die hem het Belgische institutionele landschap schilderden en over het Vilvoorde-syndroom vertelden, lang voor Usinor zich opwierp als hoofdrolspeler in het Cockerill-dossier. FRANK DEMETS HENRI DUPUIS