Er beweegt iets in de Belgische agtech. Jonge bedrijven proberen steeds meer de worstelende landbouw te helpen, met biotechnologie of software. Een prominent voorbeeld van Belgische landbouwinnovatie is Biotalys, een biotechbedrijf dat een biologische gewassenbeschermer maakt en afgelopen zomer naar de beurs trok.
...

Er beweegt iets in de Belgische agtech. Jonge bedrijven proberen steeds meer de worstelende landbouw te helpen, met biotechnologie of software. Een prominent voorbeeld van Belgische landbouwinnovatie is Biotalys, een biotechbedrijf dat een biologische gewassenbeschermer maakt en afgelopen zomer naar de beurs trok. Ook Planticus is een start-up in agtech. Het bedrijf werd opgericht in 2020 onder de naam Ask Attis. Het stelt met artificiële intelligentie plantenziekten in serres vast, met een focus op tomatenplanten. De applicatie wordt volgens medeoprichter Guy Van Looveren enthousiast onthaald in de landbouwwereld. "Doorgaans huurt een serre een externe scout in om ziektes op te sporen", vertelt Van Looveren. "Of het bedrijf heeft mensen in dienst om dat te doen. Dat gebeurt met het blote oog. Daar schuilt het gevaar, want er zit een zekere foutenmarge op. Bij een teler die we kennen, zagen ze eens een ziekte niet. Het ging over een locatie van 20 tot 30 hectare. In 80 uur was bijna de hele serre aangetast. De teler moest alles weggooien en opnieuw inzaaien. Die menselijke fout kostte 800.000 tot 900.000 euro. Je kunt het die persoon ook niet kwalijk nemen. Die serres zijn enorm groot en de vlekken op planten die op ziektes duiden, veranderen geregeld." Daarom ontwikkelt Planticus een combinatie van een speciale videocamera en software die de beelden scant op ziekten. Zo hoopt het bedrijf ziektes sneller op te sporen en uitbraken te verhinderen. "Als wij met telers praten, willen ze meestal onmiddellijk ons product aanschaffen", stelt Van Looveren. "De angst voor ziektes is groot. Er is steeds meer resistentie tegen pesticiden. Bovendien weegt de huidige detectie en behandeling van ziektes op de marges. Als ik op bedrijfsbezoek ga, moet ik aan de ingang van de serre in mijn boxershort staan, en moet ik een speciaal pak aandoen om binnen te mogen. Ik moet zelfs van pak veranderen wanneer ik van de ene rij tomaten naar de andere wil gaan. Zo groot is de angst voor besmetting." Die nood vertaalt zich in groei voor Planticus. Het jonge bedrijf heeft acht werknemers, haalde investeringen op bij het Vlaamse innovatieagentschap Vlaio en businessangels, en stelt een kapitaalronde in het vooruitzicht. "Dit is een exportproduct", stelt Van Looveren. "Ons businessmodel steunt op oppervlakte, want ons product is vooral nuttig voor grotere serres. De oppervlakte is beperkt in België. Daarom zitten we al in het buitenland. We kijken bijvoorbeeld naar Spanje, waar er een grootschalige tomatenteelt is. Maar ook in Italië en de Verenigde Staten is er interesse." Farmdesk werd opgericht in 2018 en richt zich op veehouders. "Een melkveebedrijf is erg complex", stelt medeoprichter Jef Aernouts. "Het is heel veel werk, het is technisch en je moet aan veel dingen tegelijk denken. Het gaat over teelt en dierengezondheid, en je moet een goede manager zijn. Veel veehouders hebben het daar moeilijk mee. Daarom willen we met slimme software helpen een aantal van die zaken beter op te volgen."Farmdesk specialiseert zich in 'voermanagement', met de melkveehouderij in de Benelux als belangrijkste markt. Al wil het bedrijf ook geografisch uitbreiden en andere sectoren aanboren. Daarvoor ging het een partnerschap aan met KWS, een Duits beursgenoteerd zaadbedrijf, dat de helft van de aandelen van Farmdesk verwierf en zijn contacten in de landbouw inschakelt om de verkoop van Farmdesk op te krikken. "KWS wil meer rechtstreeks in contact staan met de veehouder", stelt Aernouts. "Vroeger verkocht het gewoon de zakken met maïszaad, en daar deden de landbouwers hun ding mee. Nu wil het ook inzetten op service en de landbouwers begeleiden." Farmdesk staat in voor de ontwikkeling van de software, wat in België en India gebeurt. KWS neemt de verkoop voor zijn rekening. Die tweedeling is volgens Aernouts nodig in een sector zoals de landbouw. "In het begin dachten we niet aan zo'n partnerschap. We wilden alles zelf doen. We werkten toen ook enkel in de geitenhouderij, een erg kleine sector. Maar in de bredere landbouw zijn er zoveel spelers dat je onmiddellijk een groot budget nodig hebt om verkoop te doen. Ik denk ook dat we niet hip genoeg zijn om durfkapitaal aan te trekken. Dan is een partnerschap de beste optie." Farmdesk staat klaar om zijn activiteiten uit te breiden. "Software alleen werkt niet", stelt Aernouts. "Als we gewoon de software installeren en verdwijnen, zijn we de helft van de veehouders binnen een jaar kwijt. We moeten hen constant adviseren en actief houden. We moeten een team bouwen dat met onze software een meerwaarde kan bieden aan landbouwbedrijven." Ook voor start-ups in biotech is landbouw een aantrekkelijke markt. Aphea.Bio wil chemische meststoffen en pesticiden vervangen door microbiële producten. "De toxiciteit van landbouwproducten zoals pesticiden en kunstmeststoffen is al lang bekend", stelt CEO en medeoprichter Isabel Vercauteren. "Die producten vervuilen de bodem, de waterwegen en de lucht. Ze zijn mogelijk ook ongezond voor de landbouwers die ze gebruiken. Tegelijk is er een probleem van resistentie als je die producten te veel of op een verkeerde manier gebruikt. We moeten met een andere klasse van producten werken." Er komt ook druk vanuit het regelgevende niveau. De Europese Unie stelt in haar duurzamegroeiplan Green Deal en haar bijbehorende van-boer-totbordstrategie stevige doelen voor de landbouw. Tegen 2030 moeten 50 procent minder pesticiden worden gebruikt, terwijl de voedselproductie omhoog moet om een groeiende bevolking te voeden. Dat maakt start-ups zoals Aphea.Bio aantrekkelijk. Het bedrijf haalde in 2020 14 miljoen euro op en stelt zo'n veertig mensen te werk. De lancering van het product komt dichterbij. "Onze micro-organismen zijn al twee jaar op rij gevalideerd in veldomstandigheden", vertelt Vercauteren. "We hebben nu voldoende bewijs dat onze micro-organismen werken en zullen door het regulatoire traject gaan. We richten ons aanvankelijk op een eerste generatie van biostimulanten of groeibevorderaars. Als alles goed gaat, komen de eerste producten in 2023-2024 op de markt. Het duurt lang om dit soort nieuwe producten, die heel wat onderzoek en ontwikkeling vergen, op de markt te krijgen. Aphea.Bio komt daar nu heel dichtbij." Vercauteren denkt al na over hoe het bedrijf de markt zal betreden zodra het groen licht heeft gekregen. Net zoals bij Farmdesk lijkt een partnerschap de beste optie. "We praten al met de grote multinationals", stelt ze. "Onze strategie om naar de markt te gaan behelst partnerschappen met derde partijen. De waardeketen in de landbouw bevat technologieontwikkelaars zoals wij, maar ook de grote partijen die de distributie beheren, zoals Bayer en Syngenta. Het is niet vanzelfsprekend je als klein bedrijf daartussen te wringen. Voor ons is het slimmer om onze kar te hangen aan een van de spelers die de keten al domineren." Aphea.Bio staat eerder aarzelend tegenover een beursgang, zoals het Gentse Biotalys vorige zomer deed. "Ik vind het heel moedig van hen", stelt Vercauteren. "Maar ik begrijp niet helemaal waarom ze het hebben gedaan. Ze willen natuurlijk geld ophalen. Maar voor een onderzoeks- en ontwikkelingsbedrijf in de agro is een beursgang erg risicovol. Je moet constant een goednieuwsshow brengen, of je aandelen worden afgeslacht. Onderzoek en ontwikkeling betekent risico's nemen en zaken proberen die mogelijk op niets uitdraaien. Als je daar op de beurs op wordt afgerekend, bemoeilijkt dat je werk. De beursgang van Biotalys creëert voor ons wel een precedent, dus ik duim dat het een succes wordt." Naast start-ups ontstaan er ook organisaties die het agrotechecosysteem willen versterken. Op een voormalige site van BASF CropDesign in Nevele vind je de Agro-Incubator van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB). Daar kunnen objectieve plantentesten worden uitgevoerd in een gecontroleerde omgeving via samenwerkingen tussen bedrijven en kennisinstellingen. Het wil in de toekomst ook een begeleidingstraject voor start-ups aanbieden. Volgens Stijn Dhondt, de manager van de incubator, is de behoefte aan agtech hoog. De wereldbevolking groeit en de Europese Unie stelt ambitieuze doelen voor de Europese landbouw. "Daar komen ook nog de gevolgen van de klimaatverandering bij", stelt Dhondt. "Die geeft planten een veel uitdagender milieu om in te groeien. In sommige gevallen betekent dat meer droogte of overmatige neerslag. Plantenziektes rukken op, terwijl het pesticidegebruik moet dalen. De komende tien jaar moeten er grote stappen worden gezet. Elke technologie die daaraan kan bijdragen, zal broodnodig zijn." Vlaanderen bezet een goede positie om een deel van die technologie te leveren, zegt Dhondt. "We zitten op een kantelpunt", benadrukt hij. "Overal ter wereld wordt meer geïnvesteerd in landbouwtechnologie. Maar zeker in plantenbiotechnologie blijft Vlaanderen, en vooral Gent, een bakermat."Guy Van Looveren van Planticus ziet hoe de landbouw technologie begint te omarmen. "De landbouw moet meegaan met de nieuwste technologie, terwijl de sector in het verleden eerder de kat uit de boom keek", stelt hij. "De laatste vijf jaar is er veel meer openheid gekomen. Landbouw zal volgens mij de markt zijn die de komende tien tot vijftien jaar het meest onder druk zal komen. Er is een beperkte hoeveelheid land en onze populatie zal enorm stijgen. De opbrengsten moeten naar omhoog. Tegen 2050 zullen boeren hun opbrengst op hun huidige oppervlakte met 70 procent moeten verhogen. Elke plant zal dus productiever moeten worden, en ziektes vermijden is daar een belangrijk element van."