Het is moeilijk om optimistisch te zijn over 2007. Dat komt niet alleen omdat de wereld geconfronteerd wordt met een ontzaglijke rist problemen - van een nucleair bewapend Noord-Korea, over toenemend strijdlustig islamisme, tot de schipbreuk van de gesprekken over de wereldhandel -, maar ook wegens het waarschijnlijke gebrek aan politiek leiderschap. Twee veteranen van het wereldtoneel, Jacques Chirac en Tony Blair, zullen een stap opzij zetten en Europa nog meer introvert achterlaten. Shinzo Abe van Japan zal zich concentreren op de verkiezingen voor het Hogerhuis en in China zal de aandacht toegespitst blijven op de opmerkelijke economie van het land.
...

Het is moeilijk om optimistisch te zijn over 2007. Dat komt niet alleen omdat de wereld geconfronteerd wordt met een ontzaglijke rist problemen - van een nucleair bewapend Noord-Korea, over toenemend strijdlustig islamisme, tot de schipbreuk van de gesprekken over de wereldhandel -, maar ook wegens het waarschijnlijke gebrek aan politiek leiderschap. Twee veteranen van het wereldtoneel, Jacques Chirac en Tony Blair, zullen een stap opzij zetten en Europa nog meer introvert achterlaten. Shinzo Abe van Japan zal zich concentreren op de verkiezingen voor het Hogerhuis en in China zal de aandacht toegespitst blijven op de opmerkelijke economie van het land. Nergens wordt echter het gevoel van zwakheid en laat-maar-waaien zo sterk aangevoeld als in Washington DC. George Bush was per slot van rekening toch een president die de zaken wilde veranderen. In eigen huis drukte hij aanzienlijke belastingverlagingen door. En hij trachtte een periode van conservatieve hegemonie te vestigen. Buiten de grenzen trachtte hij, na de terreuraanvallen van 11 september 2001, de wereld te hervormen. Hij stuurde troepen naar Afghanistan en Irak, en trachtte een Bushdoctrine in het leven te roepen die gesteund was op preventieve machtsontplooiing en de export van democratische waarden. Miljoenen mensen in heel de wereld mogen de acties van Bush verfoeid hebben, maar men kon hem toch moeilijk beschuldigen van een gebrek aan ambitie. Maar wat hebben het bloed, de rijkdommen en het politiek kapitaal die hij vergooide, opgebracht? Niet alleen bleek de wereld iets ingewikkelder in elkaar te zitten dan Bush aannam, zijn regering heeft zich tot nu toe jammerlijk onbekwaam getoond om zijn dromen waar te maken. Het gevolg is dat de vooruitzichten er voor Bush in 2007 op het eerste gezicht vrij somber uitzien. Nu hij terecht de greep van de republikeinen op het Congres verloren heeft, lijkt de president de laatste kans om een of ander groots binnenlands initiatief op poten te zetten uit handen gegeven te hebben. Buiten de grenzen ziet het er nog een pak grimmiger uit: de Amerikaanse troepen zijn vast komen te zitten in Afghanistan en Irak, en de onappetijtelijke Noord-Koreaanse en Iraanse kwesties moeten aangepakt worden. Het zou dan ook weinig verwondering baren, mocht Bush verkiezen om zich in 2007 gedeisd te houden en de rest van zijn presidentschap te beschouwen als een oefening in schadebeperking. Het zou alleszins grondig verkeerd van hem zijn, mocht hij dat doen. Ten eerste is zijn positie niet zo zwak als het wel lijkt. Ten tweede heeft hij nog altijd een kans om een bruikbaarder nalatenschap achter te laten. In eigen land is Bush gekneusd, maar zeker nog niet buiten strijd. Ondanks het feit dat de republikeinen slaag kregen bij de tussentijdse verkiezingen, blijft de VS een land waar de conservatieven in aantal ver voorliggen op de progressieven. Alvast één gebied waarop Bush tegelijk zijn partij rond zich kan scharen en zijn zonden uit het verleden kan goedmaken, is dat van de overheidsbestedingen. Tijdens zijn eerste zes jaar in het Witte Huis ondernam Bush geen enkele poging om het Congres in te tomen. Maar nu de democraten waarschijnlijk steeds meer met de belastinggelden zullen morsen, heeft hij een partijpolitieke reden om de harde lijn te volgen. Het is echter in het buitenlands beleid dat zijn grootste hoop op verlossing ligt. Nog eens: onderschat de kracht van Bush niet. De voorbije zes jaren mogen dan al aangetoond hebben dat Amerika een minder dominerende macht is dan de neoconservatieven gehoopt hadden, maar ze hebben wel de onontbeerlijkheid van 's wereld enig overblijvende supermacht versterkt: er gebeurt niets gewichtigs meer zonder Amerika. En, hoe moeilijk het ook valt om toe te geven, Bush zal de ervaring aan zijn kant hebben. Hij zal de meest ervaren stem zijn rond de G7-tafel. Dat wil dan weer niet zeggen dat Bush geen lastige taak wacht. In het geval van Irak moet hij standvastigheid - Amerika moet zeker zijn troepen nog het hele jaar 2007 in het land houden - mengen met boetvaardigheid: hij is de Amerikanen en de Irakezen een openhartige uitleg over zijn vergissingen schuldig. De andere onderdelen van de 'as van het kwaad' zijn al even moeilijk aan te pakken. De beste - en geen al te goede - kans om Noord-Korea en Iran tot de orde te roepen, is tegelijk de aangeboden stokken en wortels vergroten. Bush zal waarschijnlijk meer kruiperige veiligheidsgaranties moeten bieden aan de weerzinwekkende regimes in Pyongyang en Teheran. Dat zal bij de grote democratiseerder in de keel blijven steken, maar het is allicht de moeite waard om het te doen als het een naspeurbaar einde maakt aan hun bommenmakerij. Alles bij elkaar ziet het er dus naar uit dat 2007 een harde noot om kraken wordt. Er zijn echter meer avontuurlijke mogelijkheden voor Bush om een zinvolle nalatenschap neer te zetten. Als politicus is hij tenslotte altijd een beetje een gokker geweest. Een van die mogelijkheden zit verscholen in de onaantrekkelijke kwestie van de wereldhandel: als Bush erin slaagt om de Doharonde te redden, zal hij meer vooruitgang boeken in zijn vredesagenda voor de ontwikkelingslanden dan met om het even welke regimewijziging. Een andere mogelijkheid is het Israëlisch-Palestijns dispuut, een kanker die knaagt aan de relaties tussen niet alleen de islam en het Westen, maar ook tussen Amerika en Europa. Bush heeft verklaard dat hij voorstander is van een Palestijnse staat, maar hij heeft weinig gedaan om die ook daadwerkelijk tot stand te brengen. Misschien wel de meest intrigerende mogelijkheid voor Bush heeft te maken met het milieu. Het idee van een Toxische Texaan die de opwarming van de aarde aanpakt, kan de groengekleurde kiezer misschien doen proesten in zijn kamillethee, maar de sfeer is wel veranderd sinds Bush Kyoto afwees in 2001. Een toenemend aantal Amerikaanse ondernemingen en staatsoverheden nemen tegenwoordig de klimaatverandering ernstig. India en China zullen niets doen om hun koolstofemissie te verminderen, tenzij Amerika het voorbeeld geeft. Met de nodige panache en een beetje gewiekstheid zou Bush kunnen beginnen kneden aan een vervanger voor Kyoto. Er zullen mensen in de entourage van de president zijn die hem vertellen dat hij geen risico's meer moet nemen. Bush zou dan twee zaken moeten overwegen: hij is voor niets meer in de running en als het over zijn nalatenschap gaat, heeft hij niet veel te verliezen. De auteur is hoofdredacteur van The Economist. John Micklethwait