Een grote bouwwerf ergens in West-Vlaanderen. Op een ochtend valt de sociale inspectie binnen. Bijna 100 bouwvakkers zijn er aan de slag. Onder hen vijftig Roemenen, die allemaal een zelfstandigenstatuut hebben. Een ondervraging door de sociaal inspecteurs brengt echter al snel duidelijkheid. Bent u werkend vennoot? Kent u uw bank? Hebt u een volmacht op de rekening? Op alle vragen antwoorden de Roemenen negatief of blijven ze het antwoord schuldig. Voor de sociaal inspecteurs is het duidelijk: hier wordt gebruikgemaakt van schijnzelfstandigheid om de hoge Belgische sociale lasten voor loontrekkenden te vermijden.
...

Een grote bouwwerf ergens in West-Vlaanderen. Op een ochtend valt de sociale inspectie binnen. Bijna 100 bouwvakkers zijn er aan de slag. Onder hen vijftig Roemenen, die allemaal een zelfstandigenstatuut hebben. Een ondervraging door de sociaal inspecteurs brengt echter al snel duidelijkheid. Bent u werkend vennoot? Kent u uw bank? Hebt u een volmacht op de rekening? Op alle vragen antwoorden de Roemenen negatief of blijven ze het antwoord schuldig. Voor de sociaal inspecteurs is het duidelijk: hier wordt gebruikgemaakt van schijnzelfstandigheid om de hoge Belgische sociale lasten voor loontrekkenden te vermijden. De sociale inspectie treft op de werf ook dertig Serviërs aan. Ze beschikken niet over een Limosa-attest dat buitenlandse werknemers moeten kunnen voorleggen als ze tijdelijk of deeltijds in België aan de slag zijn. De Serviërs zijn geen EU-werknemers en worden dus uit het land gezet. Vijf dagen later controleert de sociale inspectie aan de kust een andere bouwwerf, waar ze diezelfde dertig Servische bouwvakkers aantreft. Dit voorbeeld leert dat de strijd tegen de sociale fraude onverminderd doorgaat, maar ook dat malafide bedrijven zich niet snel laten afschrikken. De sociale inspecties zijn in elk geval succesvoller dan ooit. Volgens cijfers van de federale overheidsdienst Sociale Zekerheid is in 2013 voor een recordbedrag van 148 miljoen euro aan fraude met sociale bijdragen en uitkeringen vastgesteld, bijna 30 miljoen meer dan in 2012 en bijna een verdubbeling ten opzichte van 2010. Het gros van de fraude (110 miljoen euro) situeert zich in de ontduiking of fraude met sociale bijdragen. Daarnaast is er nog altijd veel fraude met sociale uitkeringen (36 miljoen). De rest heeft betrekking op wat fictieve onderwerpingen worden genoemd, zoals valse C4-documenten om een uitkering te bekomen. In de laatste twee gevallen gaat het vaak om gespecialiseerde fraudecarrousels (zie Een café met twintig kelners). De berekeningen van de sociale inspectie leren dat er vorig jaar 30.000 onderzoeken naar sociale fraude zijn uitgevoerd. Dat is niet meer dan het jaar voordien, maar toch is meer fraude ontdekt. Is die toename dan te wijten aan het feit dat er massaal meer fraude wordt gepleegd? Of zijn de sociale inspecties efficiënter? Advocaten zien een combinatie van oorzaken. "De sociale inspecties werken anders, en vooral veel efficiënter dan pakweg tien jaar geleden. Er is een verschil van dag en nacht tussen de federale overheidsdienst Sociale Zaken van Frank Van Massenhove, waar gewerkt wordt op basis van prestaties, en de situatie vroeger, met figuren als in de tv-serie De collega's", zegt Bart Adriaens, advocaat bij Claeys en Engels. "Er wordt meer gewerkt via datamining, het koppelen van allerlei databanken. De pakkans is verhoogd. Al zijn er wel regionale verschillen. In Oost- en West-Vlaanderen zijn sociale inspecties actiever dan in Brussel. Daar raken de vacatures niet ingevuld, waardoor er te weinig inspecteurs zijn. En er is natuurlijk de strengere wetgeving. De bedoeling is bedrijven schrik aan te jagen opdat ze niet meer werken met malafide onderaannemers. Ik zie toch dat veel opdrachtgevers voorzichtiger zijn geworden." "De pakkans speelt een rol. Als het risico groot is, zal je een hele groep mensen afschrikken", weet Michael Verhaeghe, advocaat gespecialiseerd in sociale strafzaken bij Tilleman & Van Hoogenbemt. "Er wordt ook veel publiciteit gemaakt over de strijd tegen sociale fraude. De pakkans schrikt meer af dan mogelijke boetes." Jan Hofkens, advocaat sociaal recht bij Lydian, wijst erop dat "de voorbije jaren heel wat wetgevende initiatieven genomen zijn om sociale fraude tegen te gaan". Staatssecretaris voor de Bestrijding van Fraude John Crombez (sp.a) heeft in minder dan twee jaar verschillende maatregelen genomen die de bewegingsruimte beperken voor wie met buitenlandse zelfstandigen of bedrijven met buitenlandse werknemers werkt. Vaak gaat het over Oost-Europeanen (ook al duiken er vaak Portugezen of Brazilianen op) die voor veel lagere uurlonen dan de Belgen kunnen werken. Als zelfstandige betalen ze veel minder sociale bijdragen aan de Belgische RSZ (Rijksdienst voor Sociale Zekerheid), of zelfs totaal geen als ze onder de sociale zekerheid van hun thuisland vallen. Een eerste belangrijke maatregel is de hoofdelijke aansprakelijkheid, die in 2012 is ingevoerd. Een Belgische opdrachtgever kan een buitenlandse firma als onderaannemer inhuren om werken op een bouwwerf uit te voeren. Maar als die onderaannemer niet de in België vereiste sociale lonen en bijdragen betaalt, dan kan niet alleen de onderaannemer, maar ook de opdrachtgever aansprakelijk worden gesteld. De RSZ kan dan beslissen de niet of onvoldoende betaalde sociale bijdragen en lonen te verhalen op zowel de opdrachtgever als de onderaannemer. En dat beperkt zich niet tot de bouwsector. Een voorbeeld: een Vlaams vleesbedrijf werkt met een Slowaakse onderaannemer om karkassen van runderen te versnijden. De werknemers, Roemenen in dienst van de Slowaakse onderaannemer, krijgen 2,13 euro per uur. Dat is iets meer dan 16 euro per dag. Daarnaast krijgen ze een dagelijkse onkostenvergoeding van 80 euro, vrij van RSZ en belastingen. Die vergoeding wordt toegekend aan de werknemers omdat het leven hier duurder is dan in hun thuisland. Dagelijks verdienen ze dus zo'n 96 euro en daar zijn die Roemen best tevreden mee. Maar dat ziet de sociale inspectie anders. Volgens haar zijn de onkostenvergoedingen geen loon. En de 2,13 euro per uur ligt een stuk lager dan het minimumloon van 11,43 euro. Het Vlaamse vleesbedrijf krijgt een duidelijke boodschap: het heeft vijftien dagen om de wetgeving toe te passen, anders wordt het hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor die te laag betaalde lonen. Het resultaat is vaak dat de Vlaamse opdrachtgever binnen de twee weken de samenwerking met de Slowaakse onderaannemer stopzet. "Ik merk toch dat werkgevers sinds de invoering van de hoofdelijke aansprakelijkheid meer angst hebben", zegt Bart Adriaens. "Ook de strengere regels over schijnzelfstandigheid in een aantal sectoren maken dat bedrijven minder snel met zelfstandigen werken. Ze willen een extra RSZ-aanslag vermijden." Dat bedrijven in België graag met zelfstandigen werken, is bekend. De sociale lasten zijn dan een stuk lager. Maar wanneer de zelfstandige werkt in een ondergeschikte positie en onder het gezag van een werkgever, gaat het om schijnzelfstandigheid. De essentie van het zelfstandigenstatuut is immers dat je je eigen baas blijft. "De wet op schijnzelfstandigheid kon je jarenlang omschrijven als vrijheid blijheid", weet Jan Hofkens, advocaat bij Lydian. "Tot voor een paar jaar liet de lakse wet eigenlijk geen controles meer toe. Maar in 2012 is dat veranderd. In de bouw, de voedingsnijverheid, de schoonmaak- en de transportsector -- niet toevallig de meest fraudegevoelige sectoren -- is de regeling aanzienlijk verstrengd. Er worden criteria gehanteerd zoals het al of niet bestaan van een vaste vergoeding, ongeacht de bedrijfsresultaten. Op basis van die criteria is er dan een weerlegbaar vermoeden dat iemand zelfstandige of werknemer is." Hofkens wijst er wel op dat de oude, veel flexibeler regeling over schijnzelfstandigheid buiten de geviseerde sectoren nog altijd van toepassing is. "Daardoor zijn er in bedrijven bijvoorbeeld human resources managers die onder een zelfstandigenstatuut werken", zegt hij. Een andere maatregel om sociale fraude tegen te gaan, is de verstrenging van het verbod op terbeschikkingstelling. Bedrijven maakten in het verleden weleens gebruik van terbeschikkingstelling, waarbij ze voor een tijdelijke opdracht werknemers van een ander bedrijf inhuurden. Maar de wet bepaalt dat het verboden is gezag uit te oefenen op werknemers die je inhuurt. Het gaat om een zeer technische materie die een speeltuin is voor juristen, maar de essentie is dat nieuwe criteria zijn ingevoerd die bepalen wanneer een ingehuurde werknemer onder het gezag van de gebruiker valt. Maar staatssecretaris Crombez en de sociale inspecties focussen tegenwoordig nog het meest op detacheringsfraude. Detachering is een interessante vorm van tewerkstelling voor wie de Belgische sociale lasten te hoog vindt. Het algemene Europese principe is dat een werknemer valt onder de sociale zekerheid van het land waar hij werkt. Maar daar bestaat een uitzondering op: bij detachering voor een beperkte tijd (maximaal 24 maanden, verlengbaar tot vijf jaar) naar een ander land is het mogelijk onder de sociale zekerheid van de uitzendstaat te vallen. Wie als Pool, Hongaar of Bulgaar naar België gedetacheerd wordt om hier voor pakweg een jaar in de bouw te werken, heeft voldoende aan het zogenoemde A1-formulier, afgeleverd door het land van herkomst, waaruit blijkt dat de gedetacheerde werknemer RSZ betaalt in zijn thuisland. Momenteel zouden er in België zo'n 300.000 gedetacheerde werknemers aan de slag zijn. Al enige tijd is duidelijk dat hier fraudecarrousels worden opgezet. Een voorwaarde voor detachering is dat de werkgever die bijvoorbeeld Bulgaarse bouwvakkers naar België stuurt, in het thuisland een substantiële economische activiteit ontwikkelt. In de praktijk wordt in het thuisland vaak een postbusfirma (een spookbedrijf dus) opgericht -- meer dan eens door Belgen -- die mensen uitstuurt naar België. Er is sprake van fraude als zo'n constructie wordt opgezet om sociale bijdragen en loonkosten te ontwijken. Om die fraude tegen te gaan, is eind 2012 de zogenoemde antimisbruikbepaling in het leven geroepen. Stelt de Belgische sociale inspectie vast dat er onterecht A1-formulieren zijn afgeleverd, dan moeten die gedetacheerde werknemers alsnog worden onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid. Maar eind vorig jaar liet de Europese Commissie weten dat die bijkomende Belgische controle in strijd is met het vrij verkeer van EU-werknemers en werd een inbreukprocedure gestart. John Crombez reageerde woedend en vond dat de Europese Commissie daarmee sociale dumping toeliet. "We hebben in België nu wel een wetgeving die ingaat tegen de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie", stelt Jan Hofkens vast. Volgens hem moest Crombez het probleem van de detacheringsfraude anders hebben aangepakt. "Het Europese recht stelt dat wanneer je denkt dat bepaalde landen te snel A1-formulieren toekennen en de regels met voeten treden, een Europese bemiddelingsprocedure moet worden gestart. Duitsland heeft dat bijvoorbeeld gedaan in overleg met Litouwen. En de landen komen tot een oplossing. Geen enkele EU-lidstaat wil het etiket krijgen van fraudeland." "Er zijn twee dingen die je niet kan verslaan: de Europese wetgeving en de economische realiteit", vult Bart Adriaens aan. "We zitten ook in een internationale economische omgeving waarbij het wettelijk toegelaten is dat mensen hier hun diensten aanbieden. We hebben op een bepaald ogenblik de grenzen opengesteld. En vandaag stelt men vast dat mensen zelf bereid zijn onder goedkopere arbeidsvoorwaarden te werken. Dat is dus geen slavernij. Een Bulgaar die 400 euro per maand verdient, is tevreden." Jan Hofkens ergert er zich aan dat er de voorbije jaren extra repressieve wetgeving is bij gekomen zonder dat er aan een van de hoofdoorzaken van sociale fraude iets wordt gedaan: de hoge Belgische loonkosten. "Zolang je daar niets aan doet, zullen hier allerlei buitenlandse bedrijfjes blijven opduiken." Een andere bron van ergernis bij advocaten arbeidsrecht is dat de nieuwe wetgeving de administratieve mallemolen voedt. Een goed voorbeeld is de registratie van aanwezigheid op bouwwerven. Ook de invoering van de hoofdelijke aansprakelijkheid voor loonschulden heeft de administratieve rompslomp voor bedrijven vergroot. Een Belgisch bedrijf dat een beroep doet op een onderaannemer met buitenlandse medewerkers moet een Limosa-document (de meldingsplicht voor buitenlandse werknemers) vragen aan die onderaannemer. Indien hij dat niet ontvangt, moet hij dat melden aan de overheid. Anders kan ook de Belgische opdrachtgever aansprakelijk worden gesteld. "De bedrijven moeten hier dus goedkope politieagent spelen", zegt Herman Van Hoogenbemt van het gelijknamige advocatenkantoor. "Allemaal sympathiek, maar dat zorgt voor veel red tape. Het is trouwens niet omdat je onderaannemer een fraudeur is, dat je het ook zelf bent. De nieuwe wetgeving zoals die over de hoofdelijke aansprakelijkheid culpabiliseert de werkgever die te goeder trouw handelt. Het beleid doet de bonafide werkgevers meer pijn dan de fraudeurs." Van Hoogenbemt bevestigt dat zware fraudeurs wel degelijk gepakt worden, maar "de echte koppelbazen doen zoals ze altijd doen. Ze proberen het zo lang mogelijk te trekken, ze gaan failliet, verdwijnen met de noorderzon en komen dan terug in een andere vennootschap. Als je in die fraudegevoelige sectoren rondloopt, dan weet iedereen om wie het gaat. Het zijn altijd dezelfde kerels die opduiken." Zijn confrater en strafspecialist Michael Verhaeghe bevestigt de analyse: "De rechter kan de schorsing of de sluiting van een onderneming vorderen. Maar hoe effectief is dat? De paddenstoel schiet iets later twee straten verder opnieuw uit de grond." ALAIN MOUTONJAN HOFKENS "Zolang je niets aan de hoge loonkosten doet, zullen hier allerlei buitenlandse bedrijfjes blijven opduiken."