De auteur is adjunct-directeur van de VEV-Studiedienst.
...

De auteur is adjunct-directeur van de VEV-Studiedienst.Met deze column riskeer ik voor de rechter te worden gedaagd, wegens schending van de nieuwe antidiscriminatiewet. Ik snijd immers het onderwerp aan van de interregionale geld-stromen of transfers in dit land. Een onderwerp waarop in Wallonië al lang een politiek taboe rust, maar waartegen Franstalige politici sinds kort ook met juridische actie dreigen om de 'omerta' af te dwingen. De rechtvaardigheid van de transfers in vraag stellen zou volgens hen gelijk staan met het discrimineren van Waalse landgenoten. Hardnekkig zeer. De interregionale transfers zijn een oud en hardnekkig zeer in dit land. Ze zijn het resultaat van de kloof tussen wat elk gewest bijdraagt tot de overheidsfinanciën en er uit terug krijgt. De transfers registreren elke afwijking van de regionale juste retour in dit land. Ze werden zowat twee decennia geleden voor het eerst in concrete cijfers aan de orde gesteld door Leuvense economen. De studies volgden elkaar op, ook aan Franstalige kant. Al was er wat discussie over de omvang van de cijfers, de conclusie was telkens eenduidig: via de federale begroting, de sociale zekerheid en de financiering van de deelgebieden vloeien elk jaar miljarden euro van het rijkere Vlaanderen naar het armere Wallonië en Brussel. De meest recente, diepgaande analyse van de geldstromen werd drie jaar geleden verricht door de KBC-studiedienst en kwam uit op afgerond 5 miljard euro die jaarlijks stroomt van Vlaanderen naar Wallonië en Brussel. En onlangs verschenen er nieuwe transfercijfers op basis van de nieuwe regionale rekeningen van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR). Voor het eerst waren daar ook regionale rekeningen van de gezinnen bij, met cijfers over de belastingen en sociale bijdragen die ze afdragen en de sociale uitkeringen die ze ontvangen. Op basis hiervan werden nieuwe transferberekeningen gemaakt die uitkwamen op amper de helft van het KBC-cijfer. Deze berekeningen kloppen echter niet. De nieuwe regionale rekeningen laten immers het grootste deel van de transfers buiten beeld. Ze zeggen niets over de regionale verdeling van alle andere overheidsuitgaven buiten de (individualiseerbare) sociale uitkeringen: gezondheidszorgen, onderwijs, infrastructuur. Ze zeggen ook niets over de regionale verdeling van belastingen op, en subsidies voor vennootschappen. De 5 miljard euro blijft alsnog het meest relevante cijfer. Daarbij is geen rekening gehouden met de lasten van de overheidsschuld. Als de huidige regionale verdeling van de schuldlasten volgens de regionale fiscale draagkracht wordt afgezet tegen een regionale verdeling van de schuldlasten in functie van de bijdrage van elke regio tot de opbouw van de schuld, dan lopen de transfers al snel op tot 10 miljard euro. Het bestaan van de miljardentransfer wordt al lang niet meer betwist. De politieke wereld spitste zich toe op de vraag: zijn de transfers gerechtvaardigd? Voor bepaalde vormen van regionale publieke uitgaven wordt algemeen aanvaard dat ze geen objectieve grond hebben. Zo bijvoorbeeld de meeruitgaven voor allerlei technische prestaties in de gezondheidszorg, of meeruitgaven in de werkloosheid ingevolge een geringere controle op werkbereidheid. Het betreft hier slechts een fractie van de totale geld-stromen. Het grootste deel van de transfers wordt verklaard door regionale verschillen inzake economische performantie, vooral verschillen in werkloosheid, welvaartsniveau en economische groei. De politieke hamvraag is dan: zijn de transfers gebaseerd op deze sociaal-economische verschillen gerechtvaardigd? Oui, klinkt het volmondig, gesteund door tal van jaknikkers. Het leidt al vlug tot immobilisme waarbij men blijft wachten tot Wallonië de sociaal-economische kloof dicht rijdt en zo de transfers vanzelf verdwijnen. En daarbij mag niet worden gekeken op een decennium meer of minder. Het heeft zelfs iets pervers: Wallonië kan de kloof ook dichten doordat het Vlaanderen in zijn groei afremt. Iers voorbeeld. De juiste vraag is: hoe kunnen we ervoor zorgen dat Wallonië zijn sociaal-economische ontwikkeling versterkt, zonder Vlaanderen af te remmen? Met als uitgangspunt: de geldstromen die al decennia van Vlaanderen naar Wallonië gaan, blijken Wallonië niet structureel vooruit te helpen. De signalen over een Waalse heropstanding worden alsnog niet vertaald in harde, doorslaggevende cijfers. De economische groei in Wallonië bleef de jongste vijf jaar achterhinken op de Vlaamse. De Waalse werkloosheid blijft structureel ver boven de Vlaamse uittorenen. Een substantiële vermindering van de transfers is niet in zicht en ze zijn er al sinds een halve eeuw. Transfers tussen rijke en zwakke regio's zijn normaal tijdelijk bedoeld, om de zwakkere regio toe te laten bij te benen. De houdbaarheidsdatum van de transfers is al lang overschreden. Het is daarom hoog tijd om de hardnekkige sociaal-economische achterstand van Wallonië structureel aan te pakken. Een van de hefbomen daartoe is Wallonië meer autonomie te geven, meer ruimte voor regionale differentiatie. Om Wallonië toe te laten een politiek te voeren op maat van de Waalse sociaal-economische toestand: meer jobs creëren vooral voor jongeren (terwijl Vlaanderen vooral aanstuurt op de activering van de ouderen), onder meer door investeerders aan te trekken met sterk gematigde lonen, soepele arbeidsregelingen, meer aangepaste spoorverbindingen die de Walen zelf mobieler maken, specifieke fiscale prikkels... Wallonië moet daarbij kunnen blijven rekenen op de solidariteit van Vlaanderen, maar wel een die tijdelijk is en dus gericht moet worden op een structurele versterking van de Waalse economie, in de filosofie van de Europese regionale steun. Ierland heeft getoond hoe het met een autonoom sociaal-economisch groeibeleid, en met structurele EU-steun, op tien jaar van de staart naar de kop van het peloton kan doorstoten. Jan Van DorenMet deze column riskeer ik voor de rechter te worden gedaagd, wegens schending van de nieuwe antidiscriminatiewet.