De auteur is correspondent in India voor The Economist.
...

De auteur is correspondent in India voor The Economist.India's trots - de regelmatige, vreedzame en democratische machtsoverdracht door partijen die een arm land met meer dan een miljard inwoners besturen - is niet van gevaar verstoken. Met een agenda die overspoeld wordt door nationale en deelstaatverkiezingen worden pijnlijke hervormingen, hoe noodzakelijk ook, uitgesteld om de kiezers niet te ontstemmen. Sommige politici kunnen zelfs in de verleiding komen om zich te verlagen tot goedkoop populisme, het aanwakkeren van spanningen tussen gemeenschappen incluis. Die gevaren dreigen zeker in 2004, het jaar van de algemene verkiezingen. Het tijdstip waarop die verkiezingen plaatsvinden, is, binnen de perken die opgelegd worden door de onafhankelijke verkiezingscommissie, in handen van eerste minister Atal BehariVajpayee. Hij zal onder druk komen te staan van leden van zijn Bharatiya Janata Party ( BJP), die een coalitieregering aanvoert met zowat twintig partijen, om de verkiezingen snel uit te schrijven. De economie zal 2004 in feeststemming binnenwalsen: de beste moesson in de voorbije vijf jaar heeft zowel de landbouwers als de consumenten in de steden opgevrolijkt, de prijzen zijn stabiel, de deviezenreserves puilen uit en de roepie kent na jaren van gestage afzwakking een periode van sterkte. De industrie zal in 2004 met een respectabele 6 tot 7 % groeien. De dienstensector zal nog spectaculairdere successen boeken: India is klaar om zijn plaats als wereldleider op het vlak van de herlokalisering van informaticagebaseerde diensten te bevestigen. Vanuit een stevige basis aan beide uiteinden van die sector (uitschrijven en ontwikkelen van software enerzijds en callcenters anderzijds) zal India's outsourcingexpertise zich uitbreiden over nieuwe gebieden, vooral in de sector van de financiële diensten. Dat kan wel wat protectionistische retoriek uit Amerikaanse of Europese hoek opleveren, maar de globalisering van de diensten zal al even onstuitbaar blijken als die van de verwerkende nijverheid. De regering zal zich koesteren in de gloed van de overvloedige regens en de stevige economie. Maar wanneer minister van Financiën Jaswani Singh in februari zijn begroting indient, zal hij moeite hebben om een bijdrage te leveren tot de feestpret. Andermaal zal hij terugdeinzen voor de dringend noodzakelijke belastinghervormingen: snijden in de subsidies, de belastingbasis verbreden en de staatsbedrijven privatiseren. Omdat hij in 2003 al zo gul was, zal de omvang van het begrotingstekort (ten minste 11 % van het bruto binnenlands product als ook de huishouding van de deelstaten meegerekend wordt) hem ervan weerhouden om zich te bezondigen aan rauwe stemmenronselarij. Want wat als in juli of augustus de moesson mislukt? Dan is het beter, zo zeggen sommigen binnen de BJP, om meteen maar de benen te nemen. Vajpayee is echter niet van dat type. Hij heeft ook een oogje op een eigen plaats in de geschiedenis, als de eerste premier buiten de Congrespartij (nu de belangrijkste oppositiepartij) die een ambtstermijn van vijf jaar vol maakt en, met iets minder kans op succes, als de staatsman die getracht heeft vrede te sluiten met Pakistan. De eerste minister zal het dus waarschijnlijk uitzitten en de verkiezingen pas op het allerlaatste ogenblik uitroepen, in oktober. Waarschijnlijk wint hij de verkiezingen ook. Het zal echter een hard bevochten strijd worden, waarbij de BJP drie belangrijke hindernissen zal moeten overwinnen. De eerste is dat de Congrespartij veel meer een potentiële regeringspartij (en haar topvrouw Sonia Gandhi veel meer een potentiële eerste minister) lijkt dan bij de verkiezingen in 1999. Gandhi zelf wordt intussen uitgelachen door de intellectuelen in Delhi en laatdunkend behandeld door de hindoenationalisten wegens haar Italiaanse afkomst. Maar de opiniepeilingen wijzen uit dat veel kiezers haar wel mogen. Ten tweede is het uiteenspatten van de coalitie van de BJP met de Bahujan Samaj Party ( BSP) in de regering van India's dichtstbevolkte staat, Uttar Pradesh, een serieuze tegenslag voor de electorale strategie. De BSP onder Sushri Mayawati, die in 2003 ontslag nam als de minister-president van Uttar Pradesh, heeft een stevige aanhang onder de dalits (ooit gekend als de onaanraakbaren) in die staat en andere deelstaten in de koegordel van het noorden, die van cruciaal belang is voor electoraal succes op nationaal vlak. Ten derde is het feit van aan de macht te zijn op zich al een grote hinderpaal in India. Alle regeringen stellen teleur en die van Vajpayee stelde meer teleur dan andere. Tot 2003 waren de economische prestaties in het beste geval glansloos. Eén goed jaar zal al die slechte herinneringen niet verjagen. Bovendien heeft de BJP, beperkt door het getouwtrek binnen een versnipperde coalitie, weinig gedaan wat haar militanten en ferventste aanhangers kan inspireren. Al die hindernissen kunnen overwonnen worden. Wellicht kan de BJP een parlementaire meerderheid bijeenboksen met de hulp van kleine, regionale en kastegerichte partijen. De belangrijkste handicap van de Congrespartij is dat ze geen samenhangend beleid naar voren kan schuiven. Bovendien neigt ze ernaar om een aantal van haar aanhangers als vanzelfsprekend te beschouwen, leden van de moslimminderheid bijvoorbeeld. In sommige deelstaatverkiezingen voerde ze dan ook campagne, niet als de partij van het Nehruviaans secularisme, maar als een vriendelijker, braver soort van BJP op een kiesplatform van zachtehindutva. Dat is echter niet een strategie die naar de overwinning leidt. De BJP zal met haar eigen hindoegeloofsbrieven zwaaien. Ze zal een aantal hindutvamaatregelen, zoals een federale wet die het slachten van koeien verbiedt, willen doordrukken. Maar vooral mag verwacht worden dat ze opnieuw zal grijpen naar de kwestie die haar lanceerde als nationale partij: het dispuut over de site van de Babri-moskee in Ayodhya, die in 1992 werd vernield door hindoefanatici omdat ze geloofden dat ze gebouwd was op de ruïnes van een tempel die de geboorteplaats aangaf van de koning-god Ram. Voor vele hindoes is dat een onverwerkt drama, dat slechts één afloop kan kennen: de bouw van een prachtige nieuwe tempel. Dat alles voorspelt niets goeds voor de harmonie tussen de gemeenschappen. Net zo goed is het een slecht voorteken dat het conflict in Kasjmir waarschijnlijk zal aanslepen, terwijl Indiase steden getroffen zullen worden door terroristische acties waarvoor de schuld doorgeschoven wordt naar moslimextremisten met achter hen de Pakistaanse geheime dienst. Dat zal de vredespogingen van Vajpayee dwarsbomen. Misschien doet hij nog een laatste poging door in januari een regionale bijeenkomst bij te wonen in Islamabad. Vermits de Indiase voorstanders van de harde lijn daar met een schuin oog naar kijken en Pakistan goed beseft dat hij niet zal praten over die ene kwestie waar het zelf over wil discussiëren (het statuut van Kasjmir), zullen de betrekkingen opnieuw de diepvriezer ingaan. Simon LongAndermaal zal de regering terugdeinzen voor de dringend noodzakelijke hervormingen: snijden in de subsidies, de belastingbasis verbreden en de staats-bedrijven privatiseren. De globali-sering van de diensten zal al even onstuitbaar blijken als die van de verwerkende nijverheid. India doet er zijn voordeel mee.