DE OPROEP OM de klimaatwet in de grondwet op te nemen toont vooral het wantrouwen in de politiek. Bovendien is het economisch op zijn minst onverstandig.

Meer dan waarschijnlijk is het parlementair debat op dinsdag, na het ter perse gaan, geëindigd met een voorspelbare uitkomst. Groenen, socialisten en DéFI gebruiken de groene golf om het slabakkende klimaatbeleid van de Belgische overheden te laken. Maar de kans dat zij een meerderheid vinden voor een herziening van het artikel 7bis van de grondwet, is klein. Daardoor kan dat ten vroegste in 2024.

Dat is minder erg dan de voorstanders van zo'n klimaatwet laten uitschijnen. Ten eerste juridisch. Hoewel er graag op wordt gewezen dat de Raad van State de 7bis-uitweg heeft gesuggereerd, boorde diezelfde Raad de klimaatwet de grond in. Onder andere omdat die de bevoegdheidsverdeling tussen de federale staat, de gewesten en de gemeenschappen niet respecteert.

Ook economisch kan je betwijfelen of België wel een voortrekkersrol moet spelen in klimaat. De oversubsidiëring van de zonnepanelen blijft een sprekend voorbeeld. De federatie van industriële energieverbruikers Febeliec vraagt terecht dat eerst goed in kaart wordt gebracht wat de kosten van nieuwe maatregelen zijn ( lees ook blz. 62). Het risico bestaat dat de Belgische klimaatneutraliteit er anders alleen toe leidt dat iedereen het vliegtuig neemt in Parijs of Amsterdam.

Tegelijk vraagt Febeliec een duidelijk plan: waar wil de overheid naartoe, tegen wanneer, en met welke maatregelen? Daarin voert de federatie zelfs een gelijkaardige strijd als de groene betogers.

Het antwoord op een falend beleid mag niet zijn om, premier Leo Tindemans parafraserend, de grondwet te beschouwen als een vodje papier dat snelsnel moet worden gewijzigd. Het beste antwoord is een onderbouwd en efficiënt klimaatbeleid.