Stroef werkende arbeidsmarkten houden de Europese werkloosheid hoog. De toename van de werkloosheid in de jaren negentig kwam er echter als gevolg van een monetair wurgbeleid, zo argumenteren de economen Jean-François Mercier en Paul De Grauwe. Gaat de nieuwe Europese Centrale Bank ook té doortastend op de monetaire rem staan ? De lidstaten van de Europese Unie reageren behoorlijk verschillend op monetaire impulsen, aldus IMF-economen.
...

Stroef werkende arbeidsmarkten houden de Europese werkloosheid hoog. De toename van de werkloosheid in de jaren negentig kwam er echter als gevolg van een monetair wurgbeleid, zo argumenteren de economen Jean-François Mercier en Paul De Grauwe. Gaat de nieuwe Europese Centrale Bank ook té doortastend op de monetaire rem staan ? De lidstaten van de Europese Unie reageren behoorlijk verschillend op monetaire impulsen, aldus IMF-economen."De slechte prestaties binnen de Europese Unie op het vlak van tewerkstellingscreatie worden traditioneel toegeschreven aan een mengeling van rigide loonvorming, hoge loonbelasting, te geringe flexibiliteit inzake werktijden en te strakke aanwervings- en ontslagprocedures," zo staat te lezen in een recente analyse van investeringsbank en beursmakelaar Salomon Smith Barney. Deze analyse van de Europese werkloosheidsproblematiek reflecteert in hoge mate de consensusvisie die vooral centrale bankiers, de financiële wereld en een flinke schare van vrijemarkteconomen steeds nadrukkelijker uitdragen. Geen rek meer in het elastiekjeJean-François Mercier volgt als analist voor datzelfde Salomon Smith Barney vooral de Franse en Belgische economieën. Mercier deelt bovengaande consensusanalyse omtrent de Europese werkloosheid alvast niet. Mercier : "Het erg restrictieve karakter van het monetaire beleid dat de Bundesbank vooral in de jaren 1991-'93 oplegde aan de rest van Europa droeg in belangrijke mate bij tot de stijging van de werkloosheid in landen als Duitsland, Frankrijk en België. Dat de werkloosheid nadien, ondanks een lichte heropleving van de conjunctuur, op een hoog niveau bleef, heeft allicht wel veel met rigiditeiten inzake loonvorming en arbeidsmarktorganisatie te maken. De aanzet tot de hernieuwde toename van de werkloosheid in de jaren negentig kwam echter wel in hoge mate uit de monetaire hoek." Om zijn visie te ondersteunen,verwijst Mercier naar de evolutie van de zogenaamde tewerkstellingselasticiteit. Dit is de mate waarin economische groei zich al dan niet vertaalt in een toename van de tewerkstelling. Mercier berekende deze elasticiteiten voor de EU-11 dat zijn de elf landen die met een almaar stijgende waarschijnlijkheid in mei 1998 tot de startgroep van de Economische en Monetaire Unie (EMU) zullen worden toegelaten. Het gaat om de vijftien huidige lidstaten van de Europese Unie behalve Engeland, Zweden, Denemarken en Griekenland. Uit tabel 1 ( Jobarme groei) blijkt dat over de periode 1982-1991 1 % economische groei in de EU-11 zich nog vertaalde in een stijging van de tewerkstelling met 0,2 %. Tussen 1992 en 1997 trad, ook bij 1 % groei, een daling van de tewerkstelling op met 0,23 %. Jean-François Mercier : "Let op de verschillen binnen de EU-11-groep. De verslechtering van de tewerkstellingselasticiteit was het meest uitgesproken in Italië, Duitsland en België. Een opmerkelijke verbetering ervan trad op in Ierland en Finland." Eens te meer treedt Nederlandnaar voren als dé vreemde eend in de Europese bijt. Niet alleen steeg de tewerkstellingselasticiteit verder, het land haalt ook consistent het niveau van de Verenigde Staten. Nochtans was ook Nederland onderhevig aan de monetaire rembeweging die de Bundesbank vooral in het begin van de jaren negentig via de vaste wisselkoersen van het Europees Monetair Systeem ( EMS) aan de partners oplegde. De belangrijkste verklaring voor de veel grotere arbeidsintensiteit van de economische groei ligt bij de volgehouden matiging die onze noorderburen zich oplegden inzake de evolutie van de loonkosten (zie grafiek 1 : Holland hop en kaderstuk : De kloof blijft groot). De mix lijkt nergens naarOok Paul De Grauwe, hoogleraar aan de KU Leuven en VLD-senator, maakt een analyse die nauw aanleunt bij die van de Salomon-econoom. "Uiteraard", zo betoogt De Grauwe, "zou een verdere flexibilisering van zowel de loonvorming als de institutionale kant van de arbeidsmarkt de schepping van nieuwe jobs ten goede komen. Mijn punt is evenwel dat de evolutie van de werkloosheid in de jaren negentig binnen de Europese Unie onmogelijk goed kan worden begrepen als men alleen de starheid van de arbeidsmarkt in ogenschouw neemt." Paul De Grauwe licht dit punt uitgebreid toe in een recente analyse waarin hij het macro-economische beleid van de Verenigde Staten vergelijkt met dat van de EU-11. Terwijl de inflatiein beide gebieden nagenoeg parallel terugliep van 5 % in 1990 naar een 2,5 % in 1997, kende de werkloosheid een erg verschillend verloop. Zoals blijkt uit grafiek 2 ( Hoog blijft hoog) nam, synchroon met de recessie van 1991-'92 in de VS en van 1992-'93 in de EU-11, de werkloosheid in beide regio's fors toe. Terwijl de Amerikaanse werkloosheid vanaf 1993 aanzienlijk daalt, blijft de Europese hoog. Paul De Grauwe : "Deze opmerkelijke divergentie kan je onmogelijk uitleggen in termen van rigiditeiten op de arbeidsmarkt, aangezien die nauwelijks veranderden in de beschouwde periode". Een heel ander beeld komt naar voren als men gaat kijken naar de zogenaamde beleidsmix dit is de aard van zowel monetair als budgettair beleid gevoerd in beide gebieden. Paul De Grauwe : "Kijk je naar het structureel deficit, zijnde het begrotingstekort uitgezuiverd voor conjuncturele invloeden, dan stel je vast dat het Amerikaanse begrotingsbeleid net zo restrictief was als het Europese. Het monetaire beleid daarentegen was in de VS veel expansiever als in de EU-11. Terwijl op het dieptepunt van de recessie de reële kortetermijnrentes in de VS nauwelijks nog positief waren, bedroegen ze in de landen die het beleid van de Bundesbank volgden 5 % en meer. Dit was monetaire wurging van de reële economie en de tewerkstelling." Op basis van gegevensvan de Bank voor Internationale Betalingen berekende De Grauwe het verlies aan economische groei dat ontstond als gevolg van deze monetaire wurggreep. Tabel 2 ( Monetair bloed) geeft een overzicht van die berekeningen. Daarbij valt onmiddellijk op dat de impact van de monetaire restrictie, zowel qua intensiteit als quatiming, nogal verschilt van land tot land (zie ook kader : Twee pelotons). Voor België beliep de groeibeknotting over de periode 1994-1997 gemiddeld 0,6 % per jaar, terwijl de effectief gerealiseerde groei gemiddeld 2 % bedroeg. De economische groei had dus bijna één derde sterker kunnen zijn als we ons niet met handen en voeten aan de Bundesbank hadden gebonden.Een nieuwe wurgpoging ?De werkloosheid binnen de EU-11 ligt nu ongeveer 50 % hoger dan toen het convergentieproces voorgeschreven door het Verdrag van Maastricht van start ging. Ook op het vlak van de overheidsschuld verging het de EU-11 niet al te best, zoals blijkt uit grafiek 3 ( Slechter met Maastricht). Paul De Grauwe : "De gemiddelde economische groei lag in de jaren negentig voor de EU-11 op 1,7 % en voor de VS 2,3 %. Dit groeidifferentieel maakte de inspanningen gedaan op budgettair vlak veel effectiever in de VS tegenover de EU-11. Voor de verklaring van dat verschil in economische groei kan je onmogelijk voorbij aan de erg verschillende beleidsmix in de beide gebieden."De Leuvense econoom vreest nu dat de nieuwe Europese Centrale Bank ( ECB), die per 1 januari 1999 van start gaat, door de omstandigheden snel naar een nieuwe verstrakking van het monetaire beleid zal evolueren. "De ECB zal haar geloofwaardigheid willen bewijzen aan de financiële markten. Hoofddoel daarbij zou best wel eens kunnen zijn dat zij de inflatie zeker onder het peil vigerend bij de start van de EMU wil houden. Het huidige EU-11 inflatiepeil ligt rond de 1,7 %. Uit economisch onderzoekblijken echter twee dingen. Primo, de klassieke inflatie-indices overschatten de reële inflatie met ruim 1 %-punt, aangezien zij onvoldoende rekening houden met het effect van kwaliteitsverbeteringen. Secundo, om intersectorale loonaanpassingen vlot te laten verlopen, heeft men 1 à 2 % inflatie nodig. Een zinvol inflatie- target ligt dus tussen de 2 % en de 3 %, en niet onder de 1,7 %. Het valt te vrezen dat de ECB vervalt in het Bundesbank-gedrag uit het begin van de jaren negentig," zo besluit De Grauwe. Johan Van Overtveldt JEAN-FRANC