Een sterke Democratische kandidaat zou de Amerikaanse presidentsverkiezingen met de vingers in de neus gewonnen hebben. De timing zat goed. De werkloosheid is gedaald tot het laagste peil sinds de Grote Recessie, de lonen en de inkomens beginnen eindelijk substantieel te stijgen, en de economie groeit al jarenlang gestaag. De slagzin 'It's the economy, stupid', die Bill Clinton in 1992 in het Witte Huis hielp na de recessie aan het begin van de jaren negentig, zou ook de rode loper voor zijn vrouw Hillary moeten uitgerold hebben. Dat de race naar het Witte Huis toch tussen twee kreupele paarden werd gelopen, wijst op dieperliggende maatschappelijk en economische problemen die de Amerikaanse politiek besmet hebben.
...

Een sterke Democratische kandidaat zou de Amerikaanse presidentsverkiezingen met de vingers in de neus gewonnen hebben. De timing zat goed. De werkloosheid is gedaald tot het laagste peil sinds de Grote Recessie, de lonen en de inkomens beginnen eindelijk substantieel te stijgen, en de economie groeit al jarenlang gestaag. De slagzin 'It's the economy, stupid', die Bill Clinton in 1992 in het Witte Huis hielp na de recessie aan het begin van de jaren negentig, zou ook de rode loper voor zijn vrouw Hillary moeten uitgerold hebben. Dat de race naar het Witte Huis toch tussen twee kreupele paarden werd gelopen, wijst op dieperliggende maatschappelijk en economische problemen die de Amerikaanse politiek besmet hebben. Wie ook hun president wordt (bij het ter perse gaan was dat nog niet bekend), de VS krijgen een vrij machteloze leider die voor grote economische uitdagingen staat. Clinton staat voor het status quo, terwijl het verschil tussen woord en daad gelukkig groot zal zijn bij Trump. De macht van de Amerikaanse president wordt bovendien gemakkelijk overschat in een politiek systeem dat zweert bij checks & balances. De president stelt voor, het Congres keurt af, luidt de boutade van de Amerikaanse politiek. De olifant in de kamer die in de campagne nauwelijks aan bod kwam, is de fel gedaalde potentiële groei van de Amerikaanse economie. Ook de VS ontsnappen, net als België en het hele Westen, niet aan de trend van een dalende toename van de productiviteit die een hypotheek legt onder de toename van de welvaart en de betaalbaarheid van de vergrijzing. Ook in de VS is de toename van de arbeidsproductiviteit gedaald tot amper 1 procent, waardoor de potentiële groei de 2 procent niet meer haalt. De technologische vooruitgang laat ons op dit moment in de steek, en langzaam beterschap wordt pas verwacht vanaf 2020. Toch kan een sterke president een verschil maken. De productiviteitscrisis is niet alleen te wijten aan grootschalige factoren zoals de vergrijzing, de afnemende meeropbrengsten van globalisering, of het grotere belang van de dienstensector die minder vatbaar is voor grote productiviteitsverbeteringen. Ook binnenlandse keuzes remmen de groei af. De internetreuzen als Google of Facebook vangen veel aandacht, maar de VS investeren relatief weinig in onderzoek en ontwikkeling. Het aantal startende ondernemingen is laag, de bedrijfsinvesteringen haperen en het bedrijfsleven kampt met een toenemende concentratie en monopolievorming die de innovatie afremt. Ook de Amerikaanse overheid investeert veel te weinig in infrastructuur. Er is ook de langdurige erfenis van de Grote Recessie. Steeds meer bewijsmateriaal stapelt zich op dat scherpe recessies langdurige schade kunnen toebrengen aan het productiepotentieel. Janet Yellen, de voorzitster van de Amerikaanse centrale bank (Fed), lanceerde vorige maand het concept van een 'hogedrukeconomie', waarin een aanhoudend sterke vraag en een krappe arbeidsmarkt kunnen helpen om de schade te herstellen. Bedrijven zouden dan meer investeren, onder meer in onderzoek en ontwikkeling, en meer mensen zouden naar de arbeidsmarkt gelokt worden. De uitspraken van Yellen betekenen niet dat er geen renteverhoging zou komen in december, maar bevestigen wel het beleid van heel langzame renteverhogingen in de volgende jaren, zonder dat de Fed bereid is de inflatie te laten ontsporen. De nieuwe president zou zijn steentje kunnen bijdragen door strenger toe te kijken op kartel- en monopolievorming, door te investeren in infrastructuur, of door de vennootschapsbelasting groeivriendelijker te maken, zonder een avontuurlijk fiscaal beleid te voeren dat het vertrouwen van de bedrijven en de gezinnen kan aantasten. Veel beleidsruimte is er niet. De Amerikaanse regering kampt met een tekort van ruim 3 procent op de begroting, en dat dreigt bij ongewijzigd beleid opnieuw op te lopen. De overheidsschuld kampeert ruim boven de 100 procent van het bbp, wat de begroting kwetsbaar maakt voor rentestijgingen. De nieuwe president is dus 'gebelgd'. Hij of zij moet binnen een strak budgettair kader een groeivriendelijk beleid voeren. Stel dat de VS nog eens vier jaar door de groeiwoestijn moeten, dat de inkomensongelijkheid verder toeneemt, dat de sociale mobiliteit verder afneemt en dat werknemers zich nog meer - ten onrechte - bedreigd voelen door open grenzen. Dit diepe maatschappelijke ongenoegen dreigt dan, net als elders ter wereld, nog gekkere figuren te baren die het beleid willen kapen. De VS moeten de volgende vier jaar door een periode van zwakke groei op een moment dat de boog al te strak gespannen staat. Een sterke president is nodig in deze economische winterperiode, maar in het Witte Huis zit straks een zwakke figuur. DAAN KILLEMAESDe olifant in de kamer die in de campagne nauwelijks aan bod kwam, is de fel gedaalde potentiële groei van de Amerikaanse economie.