VANAF 2 MEI zal Europa zich weer van zijn slechtste kant laten zien. Die dag doet de Europese Commissie haar voorstel voor de meerjarenbegroting 2021-2027. De ruzie tussen tussen nettobetalers en netto-ontvangers zal dan weer losbarsten.

De meerjarenbegroting moet niet alleen in geld voorzien voor nieuwe behoeften, zoals het migratie- en het veiligheidsbeleid, maar ook het gat van 94 miljard euro vullen dat de Britten achterlaten. De Europese Commissie moet hogere bijdragen van de lidstaten vragen, of besparingen doorvoeren in uitgavenposten, zoals de hulp aan achtergebleven regio's, de zogenoemde cohesiefondsen. Het lijkt dat laatste te worden. Volgens de Financial Times werkt de commissie aan nieuwe toekenningscriteria voor die fondsen, waaronder respect voor de democratische rechtsstaat. Niet toevallig zouden vooral rebellen als Polen en Hongarije moeten inboeten.

De echte vraag is of de Europese begroting het verschil kan maken. In 2016 gaf de Europese Unie 136,4 miljard euro uit, een armtierige 0,9 procent van het gezamenlijke bruto binnenlands product van de 28 lidstaten. De samengetelde uitgaven van de 28 individuele lidstaten kwamen aan 46,3 procent van het gezamenlijke bbp, of 51 keer meer.

Het toont het belang dat de lidstaten hechten aan een slagkrachtig Europa. De unie is de gegijzelde van de nationale belangen, want haar inkomsten komen grotendeels uit dotaties van de lidstaten. Die houden de dotaties liefst zo laag mogelijk. Een sterk, financieel zelfbedruipend Europa zou te veel legitimiteit verwerven bij de burgers. Daarom zeuren de nationale politici liever over het 'geldverslindende Europa'. Electoraal komt dat beter uit.