De auteur is expert in bestuur van vennootschappen en gasthoogleraar aan de KU Leuven.
...

De auteur is expert in bestuur van vennootschappen en gasthoogleraar aan de KU Leuven. De binnenlandse opiniebladzijden van onze media puilen de jongste tijd uit van de emotionele artikels en bijdragen die de politieke tegenstrevers tackelen. In essentie zou het toch vooral moeten gaan over onze welvaart, economie en de door de overheid beheerde geldstromen. Waar komen die centen vandaan en waarvoor worden ze gebruikt? En wat is de weerslag van dat overheidsbeslag op onze welvaart? Veel onbehagen is van financieel-economische aard en ligt in het besef dat de overheid almaar meer belastingen oplegt, terwijl ze er zelf een weinig efficiënt uitgavenpatroon en een weinig doorzichtige herverdeling op nahoudt, met een negatieve impact op onze concurrentiekracht en onze welvaart. Hoe kon het zover komen? Vanaf de gouden jaren zestig tot nu is een omvangrijke en complexe verzorgingsstaat uitgebouwd. Wallonië, vroeger een van de meest welvarende regio's ter wereld, werd zwaar getroffen door de teloorgang van de mijnen en de staalindustrie. Maar in tegenstelling tot vele andere gebieden in West Europa slaagde deze regio er niet in het tij te keren, ondanks massale overheidsinterventies, subsidies en transfers. De economische achterstand blijft. De gulle solidariteit vanuit Vlaanderen zorgde niet voor een echte heropleving. Het is ook merkwaardig vast te stellen dat ons land vlugger desindustrialiseert en meer marktaandeel verliest dan onze buren en directe concurrenten. Met een negatieve handelsbalans tot gevolg: we importeren de jongste jaren meer dan we exporteren. Sectoren die ons 50 jaar geleden groot maakten, keren ons nu versneld de rug toe. Er zijn fabriekssluitingen en massale ontslagen in de automobielsector, grote Europese chemie-investeringen gaan aan onze neus voorbij. Onze loonkosten waren vijftig jaar geleden competitief en zelfs lager dan bij de buren. Nu zijn ze significant hoger, niet omdat we netto meer verdienen dan onze buren maar omdat het overheidsbeslag op die lonen exponentieel toegenomen is. Hetzelfde geldt voor de energiekosten. En zo zijn uitgerekend wij van alle landen in Europa tussen 2001 en 2011 (dus nog zonder de sluiting van Ford Genk) de kampioen van het banenverlies in de autoassemblage (-50 %). En zo daalt elk jaar het investeringsvolume van Amerikaanse bedrijven in ons land, voornamelijk door de te hoge loonkosten. Diezelfde loonkosten leiden er ook nog eens toe dat we voor vele administratieve taken niet langer competitief zijn. Waarom liep het op al deze domeinen mis? De vraag mag toch worden gesteld. Over de jaren heen heeft stijgend overheidsbeslag ons te duur gemaakt en ons uit de markt geprijsd. Of hoe een overheid zichzelf en haar burgers maximaal wil verzorgen, maar er uiteindelijk voor zorgt dat net het omgekeerde dreigt te gebeuren. Of hoe steeds hogere belastingen een neerwaartse spiraal op gang brengen van lagere competitiviteit gevolgd door lagere investeringen, minder tewerkstelling, minder welvaart, lagere overheidsinkomsten en opnieuw... bijkomende belastingen. Vandaag groeit de overtuiging dat het hoge overheidsbeslag en de daarmee verbonden solidariteitsmechanismen al te eenzijdig worden afgedwongen, geen duurzame oplossingen bieden en onze welstand hypothekeren. Niet het populisme is de grootste bedreiging, maar wel het onvermogen om het beleid bij te sturen en een degelijk antwoord te vinden op de uitdagingen van vandaag én morgen. Het permanente getreuzel bij het aanpakken van fundamentele problemen heeft de geloofwaardigheid aangetast en weegt op het vertrouwen in de toekomst. De komende generaties dreigen daarvan de dupe te worden. In zulke omstandigheden is het begrijpelijk dat men het eigen falen niet zo graag onder ogen ziet en uitvluchten en spookbeelden oproept. Het baat echter niet te schieten op de boodschappers en al evenmin emotioneel te waarschuwen voor Sodom en Gomorra. Het enige wat ons allen weer vooruit kan helpen is het besef van de noodzaak tot serieuze verandering en een overheid die eindelijk orde op zaken stelt. Niet in de eerste plaats voor het 'grote kapitaal', maar voor de toekomst van de 'kleine man', voor de grote meerderheid van kleine en middelgrote ondernemingen en hun medewerkers die hier werken en leven. JOHN DEJAEGERNiet het populisme is de grootste bedreiging, maar wel het onvermogen om het beleid bij te sturen.