China bereikt in 2010 twee economische mijlpalen. Het haalt Japan in en wordt de op een na grootste economie ter wereld. De Chinese export omvat 10 procent van de wereldhandel, waarmee het land het aandeel van Japan in 1986 evenaart. Maar de Chinese economie lijkt ook op meer verontrustende wijze op het Japan van de jaren tachtig. Mondt die boom uit in een bust, zoals in Japan gebeurde?
...

China bereikt in 2010 twee economische mijlpalen. Het haalt Japan in en wordt de op een na grootste economie ter wereld. De Chinese export omvat 10 procent van de wereldhandel, waarmee het land het aandeel van Japan in 1986 evenaart. Maar de Chinese economie lijkt ook op meer verontrustende wijze op het Japan van de jaren tachtig. Mondt die boom uit in een bust, zoals in Japan gebeurde? China is sneller uit de wereldwijde inzinking geklommen dan elke andere grote economie dankzij een massale monetaire en budgettaire versoepeling. Toen de regering de kredietkraan weer volledig opendraaide en grootscheepse infrastructuurbestedingen op gang bracht, reageerde de economie snel. Die stimulering werkt nog door in 2010. Het privéverbruik blijft stevig en de bouwsector krijgt een zetje door een heropleving van de huizenverkoop. Uiteindelijk zou het bbp van China met 9 procent moeten stijgen. Hoe lang houdt die groei aan? Het bbp nam de voorbije 30 jaar gemiddeld met bijna 10 procent per jaar toe. Zelfs als een vertraging van dat expansieritme aangenomen wordt, dan nog verwachten veel economen dat de Chinese economie de Amerikaanse over twintig jaar inhaalt. Hetzelfde werd aan het einde van de jaren tachtig ook gezegd van Japan. Sommige analisten beweren dat China op dit ogenblik verontrustend veel gelijkenis vertoont met Japan. Chronische overinvestering leidde tot overcapaciteit en dalende rendementen. Bovendien dreigt een vloedgolf van bankkredieten uit te monden in een opwelling van slechte leningen. Intussen zien de aandelen- en vastgoedmarkten er vervaarlijk bubbelachtig uit. Het aantal noodlijdende bankkredieten stijgt ongetwijfeld en tenzij de overheid het monetair beleid aanhaalt, stapelt ze problemen op die de groei schade kunnen berokkenen. Gelukkig zijn er tussen China en Japan belangrijke verschilpunten die het minder waarschijnlijk maken dat de Chinese boom eindigt in een aangehouden economische baisse. De economie van het land zit nog in het beginstadium van ontwikkeling en er is nog ruim gelegenheid om de rijke landen bij te benen door de kapitaalvoorraad aan te vullen en de productiviteit op te tillen. Een succesvolle ontwikkelingseconomie moet er een hogere investeringsquote op nahouden omdat ze begint met veel minder kapitaal dan de gevorderde economieën. De Chinese kapitaalvoorraad in verhouding tot de output is amper half zo groot als de Japanse en het per capita kapitaal bedraagt slechts 5 procent van dat van Japan. Bovendien beschikt China nog over aanzienlijke mogelijkheden om de productiviteit te verhogen door overtollige arbeidskrachten naar de industrie en de diensten te versassen. Een groot verschil met het Japan van de jaren tachtig. In het volgende decennium vertraagt de jaarlijkse groeivoet van China van het tempo van meer dan 10 procent naar 7 procent, nog altijd een van de snelste groeiritmes in de wereld. De groei zal in de toekomst echter veel minder afhankelijk zijn van de export. Als het aandeel van China in de wereldexport de 10 procent bereikt in 2010 - vergeleken bij 4 procent in 2000 - dan zal de Japanse ervaring leerrijk blijken. Die ervaring wijst uit dat er grenzen zijn aan het wereldwijde marktaandeel van een land. Nadat Japan de 10 procent haalde, viel zijn marktaandeel in de wereld terug omdat de yen sterker werd. Op dezelfde wijze komt China onder buitenlandse druk te staan om de yuan zijn klim tegenover de dollar te laten voortzetten in 2010. Een groter deel van de Chinese groei moet daarom komen van het verbruik. Investeren in infrastructuur was de beste manier om de binnenlandse vraag snel aan te zwengelen, maar op lange termijn moet de regering de consumptiebestedingen aanmoedigen door inkomen te verschuiven van de bedrijven naar de gezinnen en door de welzijnssteun en de gezondheidszorg te verbeteren. Een tragere exportgroei en steviger binnenlandse bestedingen zullen ervoor zorgen dat het overschot op de lopende rekening van China in 2010 kleiner wordt dan 5 procent van het bbp, dat is minder dan de helft van de piek die het in 2007 bereikte. DE AUTEUR IS ECONOMIEREDACTEUR AZIË VAN THE ECONOMIST. Door Pam Woodall2010China vertoont op dit ogenblik verontrustend veel gelijkenissen met het Japan van het einde van de jaren tachtig.