De banencreatie in de Belgische privésector mag dan toenemen, de werkzaamheidsgraad van laaggeschoolden blijft ondermaats: in 2008 bedroeg die 39,7 procent, ondertussen is dat cijfer gedaald tot 35 procent. Dat is een gevolg van de geglobaliseerde economie en de technologische evoluties, die het voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt moeilijk maken een baan te vinden.

Maar dat percentage kun je ook anders bekijken: hoe hoog zou de werkloosheid bij laaggeschoolden niet zijn als het dienstenchequesysteem niet zou bestaan? Toen het stelsel van de betaalde huishoudelijke hulp voor particulieren (vooral poets- en strijkdiensten) elf jaar geleden werd ingevoerd, waren er drie doelstellingen: de bestrijding van het zwartwerk, de combinatie arbeid en gezin vergemakkelijken (vooral aan de vraagzijde) en vooral het creëren van werkgelegenheid voor laaggeschoolden.

De oorspronkelijke opzet was 25.000 mensen aan een baan te helpen. In 2007 waren er 37.000 werknemers in het stelsel, in 2011 werd de grens van de 100.000 overschreden. Over heel 2014 werkten zo'n 150.000 mensen in de sector. Het jaargemiddelde bedroeg 123.000 werknemers, van wie 95 procent een vrouw is. In totaal zijn de dienstencheques goed voor 2,7 procent van alle banen in België.

Aan de vraagkant maken ongeveer 850.000 gezinnen gebruik van de dienstencheques. Dat komt neer op 17 procent van de huishoudens. 60 procent is jonger dan 55 jaar, de meesten zijn tweeverdieners. Eén op de tien gebruikers is ouder dan 80 jaar. Volgens voorstanders van het stelsel zorgt poetshulp met dienstencheques ervoor dat ouderen langer in hun woning kunnen blijven. Een verblijf in een rusthuis kost veel meer aan de overheid.

Dit jaar lijkt een verzadigingspunt bereikt. Het aantal werknemers is onafgebroken gestegen sinds de invoering van het stelsel, maar de gemiddelde jaarlijkse arbeidsduur per persoon is sinds 2013 beginnen te dalen (in 2012 gemiddeld 1055 uren op jaarbasis, tegenover 993 uren in 2014). Dienstenchequewerknemers werken dus minder uren. Een mogelijke verklaring daarvoor is de geleidelijke verhoging van de brutoprijs van een dienstencheque per gebruiker (6,7 euro in 2008, tegenover 9 euro vandaag), die de vraag licht heeft doen afnemen.

Goedkoper dan zwartwerk

Kondigt dat een krimp van de markt aan? Herwig Muyldermans van Federgon, de koepel boven de dienstenchequebedrijven, denkt van niet: "Er is inderdaad een stabilisatie, maar je moet wel de regionale verschillen onder ogen zien. In Wallonië is de fiscale aftrekbaarheid van de cheques verminderd. Daar krimpt de markt met 3 procent. Maar in Vlaanderen is er nog altijd een stijging met 1,5 procent. De dienstencheques zijn een blijver, want door de hoge loonkosten zijn weinigen bereid 20 euro te betalen voor een uur huishoudhulp."

Dat is de verklaring voor het succes van de dienstencheques: gebruikers betalen 9 euro voor een uur schoonmaken, strijken, naaiwerk tot maaltijden verzorgen en boodschappen doen. 30 procent van het bedrag dat de gebruiker voor een cheque betaalt, is fiscaal aftrekbaar, geplafonneerd op 1400 euro per jaar per persoon. Na die belastingvermindering kost een cheque dus eigenlijk slechts 6,30 euro. Wie iemand in het zwart huishoudelijke taken wil laten doen, betaalt altijd meer.

Naast die 9 euro van de gebruiker krijgen de dienstenchequebedrijven van de overheid nog eens een tegemoetkoming van 13,04 euro per cheque, waardoor de totale inruilwaarde oploopt tot 22,04 euro. Die sterk gesubsidieerde vorm van tewerkstelling weegt zwaar op het overheidsbudget. Idea Consult, dat regelmatig onderzoek verricht naar de sector, schatte de brutokostprijs van het systeem in 2014 op 1,9 miljard euro, of ongeveer 0,5 procent van het bruto binnenlands product.

Zinvolle werkgelegenheid

"Dienstencheques creëren zinvolle werkgelegenheid voor een grote groep werknemers", zegt Bart Vannetelbosch, de nationaal secretaris van ACV Voeding en Diensten. "Het is voor ons een volwaardige sector geworden. Maar het stelsel is geen springplank voor laaggeschoolden naar een andere baan, terwijl dat aanvankelijk wel de bedoeling was."

Tegenstanders van de dienstencheques, onder wie de Leuvense professor Jef Pacolet, grijpen de hoge kostprijs van het systeem aan om het ter discussie te stellen: voor een stelsel dat vooral tegemoetkomt aan de vraag van tweeverdieners is het volgens hem veel te duur. "De kosten van de dienstencheques per werknemer bedragen slechts 10 procent van de kosten van een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze", verdedigt Herwig Muyldermans het stelsel. "Staar je niet blind op de brutokosten. Het systeem genereert veel terugverdieneffecten, want het haalt mensen uit de werkloosheid en het zwarte circuit. Ze betalen belastingen en sociale bijdragen, en ze ontvangen geen uitkering meer."

Terugverdieneffecten lopen op

Na aftrek van de directe terugverdieneffecten -- de verminderde werkloosheidsuitkeringen, de extra inkomsten uit sociale bijdragen en de hogere bedrijfsvoorheffing -- en de indirecte terugverdieneffecten -- zoals het wegvallen van de werkloosheidsuitkering, het toenemen van de sociale bijdragen van het omkaderingspersoneel en de extra vennootschapsbelasting van de dienstenchequebedrijven -- zouden de kosten van het stelsel dalen met 44 procent tot ongeveer 1 miljard euro.

Volgens Muyldermans is dat een pessimistische berekening: "Idea Consult spreekt van terugverdieneffecten tussen 65 en 68 procent. Ik houd het eerder op 73 procent of meer, zeker door de stijging van de kostprijs naar 9 euro per cheque. Er zijn ook de indirecte terugverdieneffecten van de tweede orde." Een deel van de dienstenchequewerknemers en het omkaderingspersoneel dat overstapt naar het dienstenchequestelsel wordt in zijn vorige baan vervangen door werklozen. Dat betekent extra personenbelasting, extra sociale bijdragen, en zelfs extra consumptie en meer btw-inkomsten.

Ook de gebruikers van dienstencheques zorgen voor terugverdieneffecten. Ze hebben meer tijd om te werken, want ze kunnen een deel van hun huishoudelijke taken uitbesteden. Uit onderzoek van Idea Consult blijkt dat 10 procent van de dienstenchequegebruikers zegt dat ze meer werken en 0,6 procent verklaart dat ze opnieuw zijn gaan werken. 10,8 procent liet noteren dat ze zonder dienstencheques minder zouden werken. Het arbeidsvolume neemt dus toe. De RVA schat de terugverdieneffecten in tweede orde op 420 à 560 miljoen euro, waarmee de nettokosten van het stelsel verminderen tot zo'n 500 miljoen euro, of 26 procent van de totale brutokostprijs.

De kostprijs van een werkloze in België bedraagt 33.443 euro per jaar, een dienstenchequewerknemer kost bruto 13.300 euro. Als alle terugverdieneffecten in rekening worden genomen, kost zo'n gesubsidieerde baan aan de overheid 4060 euro.

Rendabiliteitsprobleem in de non-profit

Het succes van de dienstencheques heeft de voorbije jaren veel bedrijven naar de sector gelokt. In 2011 waren in België 2754 dienstenchequeondernemingen, waarvan 1198 in Vlaanderen. 59 procent van die bedrijven in Vlaanderen zijn commerciële ondernemingen. Dat die een aardige cent verdienen aan de gesubsidieerde arbeid van laaggeschoolden, wordt weleens bekritiseerd. De non-profitondernemingen (vzw's, PWA-bedrijven) zijn goed voor 26 procent van de markt. De rest van de sector bestaat uit bedrijven van gemeenten en OCMW's.

Sinds enkele jaren neemt het aantal bedrijven gestaag af. In 2014 waren er nog 2114 dienstenchequebedrijven in België, waarvan 968 in Vlaanderen. Een consolidatie in de sector is de eerste verklaring voor die daling. Een andere belangrijkere oorzaak is dat bedrijven hun activiteit stopzetten of failliet gaan, doordat ze te weinig rendabel zijn.

Wie denkt dat de branche de kip met de gouden eieren is, vergist zich. Het financiële resultaat van de dienstenchequebedrijven gaat al jaren achteruit. Gemiddeld haalden die ondernemingen in 2013 nog een winstmarge van 0,36 euro per cheque, in 2008 was dat nog 1,57 euro. Een derde van de bedrijven werkt met negatieve marges. De private ondernemingen doen het beter, met een winst die oploopt tot 0,84 euro per cheque.

Maximale anciënniteit

Die zwakke rendabiliteit heeft verschillende oorzaken. Een ervan is dat de inruilwaarde -- het totale bedrag dat de dienstenchequebedrijven krijgen voor een cheque -- niet volledig wordt geïndexeerd. Bij een indexatie van 2 procent stijgen de lonen van de werknemers met 2 procent, maar de inruilwaarde wordt slechts geïndexeerd op 73 procent van het totale bedrag. De inruilwaarde loopt dus systematisch achter op de inflatie. Dat leidt tot een systematische erosie van de marges. Een andere factor is de invoering van het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden. Voor de dienstenchequebedrijven betekende dat plots dat ze zieke medewerkers vanaf de eerste dag moesten betalen.

De marges zouden bij PWA's en vzw's ook lager liggen doordat hun werknemers onder een paritair comité vallen met gunstigere loonvoorwaarden dan de privésector. In die arbeidsintensieve sector maken de lonen 90 procent van alle kosten uit. De loonkosten stijgen door de toenemende anciënniteit van het dienstenchequepersoneel. Er is minder verloop in de sector, en meer en meer werknemers hebben de maximale anciënniteit van drie jaar. Ook de schaal van de onderneming speelt een rol. Zeer kleine bedrijven (0 tot 4 werknemers) hebben bijna geen overheadkosten, zeer grote ondernemingen (meer dan 100 werknemers) zijn efficiënter en hebben schaalvoordelen. De tussencategorie heeft het veel moeilijker.

Kunnen de dienstenchequebedrijven hun kleine marges optrekken? Een mogelijkheid is dat ze met minder omkaderingspersoneel werken, maar die beweging is eigenlijk al ingezet. In 2013 was er in Vlaanderen één medewerker voor 38 dienstenchequewerknemers, tegenover bijna 1 op de 34 een jaar eerder. Een ander denkspoor is een bijkomende vergoeding aan de gebruikers te vragen. Een kwart van de bedrijven doet dat ook. Gemiddeld bedraagt zo'n extra vergoeding 0,66 euro per cheque. Sommige bedrijven vragen minder, andere het dubbele. Opvallend is dat maar liefst twee op de drie ondernemingen niet eens overwegen een bijkomende vergoeding te vragen.

Een derde optie is de verhoging van de interne efficiëntie, zeker in human resources. Bij de private ondernemingen heeft 42 procent van het omkaderend personeel wekelijks contact met de werknemers. Bij de PWA's is dat bijvoorbeeld slechts 8 procent.

Meer ademruimte

De voorbije weken leek het erop dat een zijdelings manoeuvre werd uitgevoerd om de non-profit in de dienstenchequebranche meer ademruimte te geven. De koepelorganisaties van de non-profit, de traditionele zuilen, zouden de privésector willen wegduwen uit bepaalde onderdelen van de dienstenchequemarkt. Dan kunnen meer overheidsmiddelen voor de sector in de richting van de non-profit vloeien. De recente oproep van het ACV om dienstenchequebedrijven uit te sluiten van de dienstverlening aan zorgbehoevende en vooral dementerende ouderen, zou in die strategie passen, is bij de commerciële spelers te horen.

Het ACV ontkent dat. Bart Vannetelbosch: "Het is niet onze ambitie de middelen die Vlaanderen spendeert aan dienstencheques te recupereren voor welzijn en de non-profit. Wij pleiten niet voor een verbod van dienstencheques in zorgsituaties. Wel pleiten we voor een beleid waardoor cliënten die zwaar zorgbehoevend zijn, kunnen kiezen voor de poetsdiensten van gezinszorg. Dat kan onder meer door te voorzien in een voldoende aanbod van gesubsidieerde uren voor poetsdiensten van gezinszorg en door de prijs in overeenstemming te brengen met een uur poetsen via dienstencheques. Een uur poetsen door poetsdiensten van gezinszorg is duurder dan een uur poetsen met dienstencheques. Dat komt voor een groot stuk door de extra omkadering en de opleiding van het personeel."

"Ondanks de vergrijzing heeft de Vlaamse regering de laatste jaren nauwelijks bijkomende middelen geïnvesteerd in de poetsdiensten van de gezinszorg. Mocht de Vlaamse regering een inhaalbeweging maken en het door de Vlaamse regering voorziene groeipad van 4 procent per jaar willen realiseren, dan zou dat nog maar 750 extra banen voor de poetsdiensten van de gezinszorg betekenen. Tegenover de 90.000 dienstenchequemedewerkers in Vlaanderen is dat een peulschil. Je kunt dan ook bezwaarlijk spreken van een grote aanval op de middelen die Vlaanderen besteedt aan de dienstencheques, of over een poging om die te recupereren."

ALAIN MOUTON

"Dienstencheques zijn een volwaardige sector geworden. Maar het stelsel is geen springplank voor laaggeschoolden naar een andere baan"

Sinds enkele jaren neemt het aantal dienstenchequebedrijven gestaag af. Hun financiële resultaat gaat achteruit.

"Het dienstenchequesysteem genereert veel terugverdieneffecten, want het haalt mensen uit de werkloosheid en het zwarte circuit"