Het ontwerp van programmawet dat rond deze tijd in het parlement wordt besproken, staat bol van nieuwe fiscale maatregelen op het gebied van de extralegale pensioenen. De rode draad is duidelijk: wie een extralegaal pensioen opbouwt, moet mee het gat in de schatkist dichten. Dat gebeurt subtiel. Er wordt geen lineaire maatregel ingevoerd die iedere betrokkene meer belasting doet betalen. In plaats daarvan komt er een rist maatregelen die sommigen ongemoeid laat, en de ene al wat harder zal treffen dan de andere.
...

Het ontwerp van programmawet dat rond deze tijd in het parlement wordt besproken, staat bol van nieuwe fiscale maatregelen op het gebied van de extralegale pensioenen. De rode draad is duidelijk: wie een extralegaal pensioen opbouwt, moet mee het gat in de schatkist dichten. Dat gebeurt subtiel. Er wordt geen lineaire maatregel ingevoerd die iedere betrokkene meer belasting doet betalen. In plaats daarvan komt er een rist maatregelen die sommigen ongemoeid laat, en de ene al wat harder zal treffen dan de andere. Een van de meest lineaire maatregelen is het verlagen van de belastingvermindering voor het pensioensparen en het vormen van individuele levensverzekeringen. Terwijl die belastingvermindering vandaag nog minimaal 30 procent en maximaal 40 procent bedraagt, zal die straks worden teruggebracht naar een uniform tarief van 30 procent. Maar die maatregel staat dan weer niet in het nieuwe ontwerp van programmawet. Allicht om een fiscale indigestie te vermijden, komt die aap pas uit de mouw in een ander wetsontwerp dat de regering op dit ogenblik in alle stilte voorbereidt. In het ontwerp van programmawet staat bijvoorbeeld wel dat de uitkeringen in kapitaal van groepsverzekeringen en pensioenfondsen die zijn aangelegd met werkgeversbijdragen, nog slechts belastbaar zijn tegen 16,5 procent, voor zover de uitkering ten vroegste plaatsvindt op de leeftijd van 62 jaar. Gebeurt de uitkering op 60 jaar, dan wordt het tarief opgetrokken naar 20 procent, en bij uitkering op 61 jaar gaat het naar 18 procent. Die tariefverhoging is niet onlogisch, want het is de bedoeling dat de minimale pensioenleeftijd omhoog gaat. Vanaf 2016 zal men ten vroegste vanaf 62 jaar met pensioen kunnen gaan. Zo bekeken lijkt het niet abnormaal dat men het gunstige belastingtarief van 16,5 procent vastknoopt aan de leeftijd van 62 jaar. Maar voor de tariefverhoging wacht men niet tot 2016. Ze zal al binnen een goed jaar van toepassing zijn. Bijgevolg mag men ervan uitgaan dat de voortijdige tariefverhoging voor meer dient dan alleen de logische aansluiting bij de verhoging van de minimale pensioenleeftijd. De verdenking bestaat dat de tariefverhoging in eerste instantie alleen een budgettair doel nastreeft: in een eerste fase zo veel mogelijk pensioenkapitalen onderwerpen aan 18 of 20 procent in plaats van aan 16,5 procent. Dat belastingverhogingen worden doorgevoerd onder het mom van logische of behartigenswaardige doelstellingen, is van alle tijden. Denk maar aan de verhoogde fiscaliteit op bedrijfswagens, die onder de dekmantel van een groenere fiscaliteit ook alleen maar is bedoeld om meer geld in het laatje te brengen. Of aan de almaar stijgende belastingen op tabaksproducten, die zogenaamd worden doorgevoerd om de volksgezondheid te beschermen, maar waarbij binnenskamers vooral wordt gehoopt dat het tabaksgebruik liefst niet vermindert. Bij de extralegale pensioenen is dat niet anders. Het ontwerp van programmawet laat zijn oog vallen op extralegale pensioenreserves die in het verleden in de schoot van ondernemingen zijn aangelegd. Voor de betrokken ondernemingen was dat niet noodzakelijk een slechte keuze: men vermeed de verzekeringstaksen die verschuldigd zijn als men voor het aanleggen van een extralegaal pensioen een beroep doet op een externe verzekeraar. Bovendien kon men op die manier goedkoop werkingsmiddelen binnen de onderneming houden. Volgens de beleidsmakers is dat nu uit den boze: extralegale pensioenen horen te worden aangelegd buiten het patrimonium van de onderneming. Dat voorkomt dat een faillissement de bedrijfsleider in de kou zet, want dan kan hij fluiten naar zijn extralegale pensioen dat in de onderneming is aangelegd. Die uitleg is niet per definitie onjuist. Maar waarom moet het ontwerp van programmawet dan zo dringend een extra heffing (van 1,75 procent) invoeren op alle pensioenreserves die in het verleden in de ondernemingen zijn opgebouwd? Er is maar één mogelijk antwoord: geld, geld en nog eens geld. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. www.fiscoloog.be JAN VAN DYCKDat belastingverhogingen worden doorgevoerd onder het mom van logische of behartigenswaardige doelstellingen, is van alle tijden.