De initiatiefnemer van deze 'collectie moderne kunst' was Wladyslaw Strzeminski. Strzeminski verbleef tot 1922 in zijn geboorteland Rusland, had les gevolgd bij Malevich en onderhield contacten met de Russische avant-garde. In de communistische Sovjet-Unie werd een nieuw type van museumcollectie in het leven geroepen, dat door kunstenaars werd samengesteld en louter utilitaire en wetenschappelijke doeleinden nastreefde. De communistische revolutie eiste namelijk dat kunst en kunstenaars een socio-politieke rol vervulden. De kunstenaar...

De initiatiefnemer van deze 'collectie moderne kunst' was Wladyslaw Strzeminski. Strzeminski verbleef tot 1922 in zijn geboorteland Rusland, had les gevolgd bij Malevich en onderhield contacten met de Russische avant-garde. In de communistische Sovjet-Unie werd een nieuw type van museumcollectie in het leven geroepen, dat door kunstenaars werd samengesteld en louter utilitaire en wetenschappelijke doeleinden nastreefde. De communistische revolutie eiste namelijk dat kunst en kunstenaars een socio-politieke rol vervulden. De kunstenaars, critici en theoretici kregen de opdracht om de artistieke cultuur te propageren en banden zodoende de ambtenaar uit het museum. Strzeminski zag evenwel vrij vlug in dat de creatieve mogelijkheden van de onafhankelijke kunstenaars beperkt waren en trok met zijn vrouw naar Polen, waar hij in 1929 a.r. ( avant-garde révolutionnaire, later avant-garde réelle) oprichtte. De groep, die unaniem het constructivisme verdedigde, steunde het project van Strzeminski voor de oprichting van een museum. Strzeminski wou een representatief aantal werken van alle stijlen en stromingen samenstellen. Dankzij bevriende kunstenaars uit Frankrijk en België slaagde hij erin om werken van onder meer Hans Arp, Fernand Léger, Max Ernst, Sonia Delaunay, Theo Van Doesburg, Kurt Schwitters en Georges Vantongerloo te verzamelen. De collectie van het Muzeum Sztuki Lodz werd tijdens de Tweede Wereldoorlog verbannen naar een opslagplaats. Een deel van de collectie werd vernietigd of gestolen uit het depot. Een groot deel van de werken werd evenwel gespaard omdat ze deel moesten uitmaken van een door de Duitse bezetters geplande tentoonstelling over Entartete und jüdische Kunst. Na de Tweede Wereldoorlog en het communisme kende het museum een tweede bloei tussen 1957 en 1960, waar werken van onder meer Richard Mortensen, Victor Vasarely, Enrico Baj en Roberto Matta via schenkingen werden verworven. Tijdens de triomf van de vakbond Solidarnosc schonk Joseph Beuys in 1981 een kist met ettelijke werken en documenten _ getiteld Polentransport 81 _ aan het museum. Beuys kreeg een aparte zaal in de tentoonstelling. Anno 1983 had een uitwisseling plaats tussen Poolse en Amerikaanse kunstenaars. Poolse kunstenaars verzamelden werken voor het nieuwe Museum of Modern Art in Los Angeles en de Amerikanen brachten een gelijkaardig ensemble bijeen voor het Museum van Lodz. Een selectie hiervan, met werken van onder meer Jazy McCaferty, Ed Moses en David Rabinowich, is te zien in Gent. De tentoonstelling sluit af met een ensemble van de Pool Roman Opalka en zijn befaamde composities met cijfers. Piet Goethals'Europees Modernisme _ De collectie van het Muzeum Sztuki van Lodz', tot en met zondag 30 december, dagelijks (behalve op maandag) van 10.00 tot 18.00 uur in Het Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, 9000 Gent.Info: [{phone}]09-240 07 50.