Gideon Rachman, 'chef buitenland' van de Financial Times kan op zijn 47ste al op een rijk gevulde carrière terugblikken. Voor hij bij de FT terechtkwam, schreef hij 15 jaar voor The Economist. Dat deed hij onder meer als correspondent in Brussel en de VS. Een tijdvak dat door een sfeer van optimisme gedomineerd werd: het communisme implodeerde, de Aziatische landen kenden hun economische opmars en het Europees project werd enthousiast uitgebouwd. De consensus tijdens deze End of History, zoals het bekende boek van Francis Fuku...

Gideon Rachman, 'chef buitenland' van de Financial Times kan op zijn 47ste al op een rijk gevulde carrière terugblikken. Voor hij bij de FT terechtkwam, schreef hij 15 jaar voor The Economist. Dat deed hij onder meer als correspondent in Brussel en de VS. Een tijdvak dat door een sfeer van optimisme gedomineerd werd: het communisme implodeerde, de Aziatische landen kenden hun economische opmars en het Europees project werd enthousiast uitgebouwd. De consensus tijdens deze End of History, zoals het bekende boek van Francis Fukuyama luidde, was liberaal en het vrije marktdenken dominant. Tot in 2008. Rachman overloopt deze periode in zijn eerste boek Zero-Sum World. Het boek kent verschillende bedrijven. Het begint in 1978, het moment waarop de Chinese KP besluit de economie van het land open te trekken. Een fase van transformatie werd ingeluid. Ook in het Westen met markante figuren als Thatcher of Reagan. Beide drukten een stempel op hun land, vooral economisch. En toen viel het communisme. Die transformatie werd gevolgd door een fase van optimisme. Toch voor enkele jaren. Voor de FT-journalist was 2008, het jaar dat Lehman Brothers op de fles ging, een kantelmoment. En niet 9/11. De gevolgen van de financiële crisis waren ingrijpender dan het complot dat twee vliegtuigen tegen de twin towers deed belanden. Inmiddels is het duidelijk dat de wereld nooit meer dezelfde zal zijn. Terwijl we gebukt lopen onder de naweeën van de grootste economische crisis sinds de jaren dertig, pronken opkomende naties - China voorop - met puike resultaten. Na 1991 groeide de overtuiging dat alle grootmachten plots partners waren in één globaal kapitalistisch systeem waar iedereen beter van werd. Van deze win-win blijft vandaag haast niets meer over. De win-win, en dit brengt ons bij de titel van het werk, is ontaard tot een zero-sum game. Als de ene wint, verliest de andere. Wordt het ene land er beter van, dan is dit ten koste van een andere staat. En zo'n realiteit schept een onprettige sfeer. De VS voelen zich in het defensief gedrongen. Steevast wordt een opkomend China geassocieerd met banenverlies voor de modale Amerikaan en het ondermijnen van de machtspositie van het land. Maar ook de Europeanen zijn onzeker. Dit vertaalt zich in protectionisme, een anti-immigratiesentiment en spanningen in de eurozone. Vergeet dus de transformatie en het optimisme, het derde bedrijf heet er een van angst te zijn. De wereld van morgen zal instabieler zijn dan de realiteit van gisteren, wat niet zonder gevaren is. Zeker de Sino-Amerikaanse betrekkingen verdienen een bijzondere aandacht. De toenemende spanning manifesteert zich economisch, maar heeft ook een militaire vertakking. China investeert fors in de uitbouw van haar vloot in de Stille Oceaan, de Amerikanen van hun kant organiseren dan weer manoeuvres met landen als Japan of India. Rachman schetst een somber beeld van 2011. Van het positieve aura dat ooit over de globalisering hing, blijft niets meer over. In de plaats kwam iets wat hij omschrijft als "bitsiger", "minder productief" en "minder voorspelbaar". Gideon Rachman, Zero-sum world. Politics, power and prosperity after the crash, Londen, 2010, 328 blz, 30 euro.