Een opvallend pleidooi was het. Op een studiedag over het hoger onderwijs als speler in een vrije-markteconomie (vorig jaar georganiseerd door de Erasmus-hogeschool in Brussel) brak de Nederlandse hoogleraar Maurits Van Rooijen een lans voor een grotere private inbreng in de onderwijssector. De stelling van de vice-rector van de Universiteit van Leiden en de universiteit van Westminster klinkt eenvoudig: meer liberalisering zal de kwaliteit van het hoger onderwijs ten goede komen.
...

Een opvallend pleidooi was het. Op een studiedag over het hoger onderwijs als speler in een vrije-markteconomie (vorig jaar georganiseerd door de Erasmus-hogeschool in Brussel) brak de Nederlandse hoogleraar Maurits Van Rooijen een lans voor een grotere private inbreng in de onderwijssector. De stelling van de vice-rector van de Universiteit van Leiden en de universiteit van Westminster klinkt eenvoudig: meer liberalisering zal de kwaliteit van het hoger onderwijs ten goede komen. Van Rooijen stelt vast dat het onderscheid tussen de hogere onderwijsinstellingen in de privé-sector en de publieke sector aan het vervagen is. Toen hij in 1993 in Londen werd benoemd, ontving zijn universiteit 85 % van de jaarlijkse begroting in de vorm van direct overheidsgeld. Anno 2004 is dat aandeel gedaald tot 45 %. Ter vergelijking: de KU Leuven ontvangt vandaag 78 % van haar middelen via de overheid. Volgens Van Rooijen is de inbreng van private spelers om verschillende redenen een positieve evolutie. Onderwijs en onderzoek gebeuren natuurlijk niet gratis. Ook hier geldt het adagium: koken kost geld. "Om de kwaliteit op een voldoende hoog niveau te houden, is overheidsfinanciering niet voldoende," vindt Van Rooijen. "In Londen is het gelukt om de extra inkomsten te investeren in kwaliteitverhoging, wat de capaciteit om inkomsten te verhogen verder heeft versterkt."Ander argument: een universiteit moet zijn onafhankelijkheid kunnen bewaren. Overheidsfinanciering heeft de neiging om voorwaarden te bepalen over het aanwenden van het geld. Van Rooijen: "Geld uit de markt, zoals collegegeld van studenten, is vrijer dan overheidsgeld. Een 50/50-verhouding betekent dat een instelling neen kan zeggen tegen commerciële aanbiedingen, maar ook tegen onredelijke eisen van de overheid." Een universiteit moet ook voldoende reserves hebben om te kunnen investeren in vernieuwing. "Een belangrijke bron van inkomsten van de Universiteit van Westminster zijn de betaling van collegegeld door buitenlandse studenten en ongesubsidieerd onderwijs. Dat vertegenwoordigt een kwart van de inkomsten of ongeveer 50 miljoen euro per jaar. In 1993 was dat nog minder dan 2 miljoen euro."Andere belangrijke bronnen van inkomsten zijn offshoreprojecten zoals de Westminster International University Tashkent in Centraal-Azië. Zulke projecten zorgen voor 7 miljoen euro extra inkomsten. Van Rooijen stipt aan dat de privé-inkomsten geen doel op zich zijn, maar een noodzaak om de kwaliteit op te trekken. Zo wordt een deel van de inkomsten gebruikt om een beursprogramma te financieren. "Een universiteit meet, anders dan een typisch bedrijf, succes niet af op louter financiële resultaten, maar aan de hand van een aantal factoren, zoals het academische niveau en de maatschappelijke impact."In de Verenigde Staten bestaan al jarenlang for profit-universiteiten. Die instellingen hebben aandeelhouders en staan zelfs op de beurs genoteerd. Wat soms tot vreemde situaties kan leiden. Ontevreden studenten die zo'n universiteit dagvaarden omdat ze kritiek hebben op het niveau van de opleiding, hebben al meer dan eens het aandeel doen tuimelen. Zulke instellingen doen volgens Van Rooijen nuttig werk, zijn kostenefficiënt en hebben in de loop van de jaren indrukwekkende reserves opgebouwd die hen in staat moeten stellen om instellingen over de hele wereld op te zetten of zelfs op te kopen. De omzet van dergelijke for profit-instellingen zou rond 500 miljoen euro draaien. Bekendst zijn de University of Phoenix en DeVry University (omzet 780 miljoen dollar in 2004.) DeVry, eigendom van DeVry Inc., is actief over de hele VS en in Canada. Ter vergelijking: de KU Leuven moet het per jaar doen met 508 miljoen euro inkomsten. Instellingen als DeVry blijven een uitzondering, maar niemand ontkent dat globalisering en een aantal liberaliserende tendensen een invloed hebben op het hoger onderwijs. Het debat over de rol van private education institutions ligt echter zeer gevoelig. De voordelen van een verregaand geprivatiseerd onderwijssysteem doet nog altijd de vraag rijzen of iedereen in dat geval wel een gelijke toegang zal hebben tot onderwijs. De stelling dat onderwijs een gewoon product wordt, is voor velen een brug te ver. Een vaak gestelde vraag is ook wat er moet gebeuren met de kennis die zulke instellingen voortbrengen. Eeuwenlang bestond daar geen twijfel over: de kennis die een universiteit genereert moet ten goede komen van de hele gemeenschap. Indien je echter op een volledig vrijgemaakte markt actief bent, is het normaal dat je je onderzoeksresultaten wil vermarkten. Iets wat al gebeurt. In 1998 sloot de universiteit van Berkeley een deal met Novartis, waarbij het Zwitserse bedrijf een derde van het onderzoeksbudget van de universiteit levert. In ruil daarvoor zou Novartis het exclusieve patentrecht krijgen op twee derde van de resultaten van het onderzoekswerk. Berkeley was geen unicum. Verschillende voorbeelden worden beschreven in het recent verschenen boek University Inc. - Corporate Corruption of Higher Education van Jennifer Washburn. Zij waarschuwt dat de grens tussen academisch werk en een universiteit die enkel commerciële belangen nastreeft op die manier zeer dun dreigt te worden. Business-scholen blijven in de discussie over vermarkting van het onderwijs evenmin buiten schot. Maar hier wordt de discussie op een ander niveau gevoerd. Om te beginnen zijn managementscholen al in sterke mate privé-gefinancierde instellingen. De Vlerick Leuven Gent Management School (omzet 16 miljoen euro) haalt slechts 10 % van haar inkomsten uit subsidies van de Vlaamse Gemeenschap. Business-scholen staan ook al langer in sterke concurrentie met elkaar en opereren op een echte wereldmarkt. Schaalgrootte en prestige zijn belangrijk om zoveel mogelijk studenten aan te trekken. Arnoud De Meyer, professor aan het vermaarde Insead in Fontainebleau (zie ook blz. 66), wil echter nog niet beweren dat bepaalde business-scholen weldra zullen worden overgenomen door hun concurrenten. De markt van de managementscholen is wel de meest competitieve niche. En dat heeft gevolgen voor hun strategie. Vroeger werd de nadruk vooral gelegd op de klassieke MBA-opleidingen. Een MBA was het vlaggenschip van de school. Sinds een aantal jaren stellen we een omgekeerde trend vast. Uiteraard zijn de managementscholen in bepaalde regio's van de wereld als paddestoelen uit de grond geschoten en blijft het aantal MBA-studenten er stijgen. Alleen al in Oost-Europa en Rusland werden in de loop van de jaren negentig meer dan 100 nieuwe business-scholen opgericht. Maar in mature markten - zoals West-Europa - is het niet langer de klassieke MBA-opleiding die alle aandacht krijgt. Dat heeft voor een deel te maken met de inflatie aan MBA-programma's die nu door ongeveer elke universiteit worden aangeboden. Bovendien heeft een spraakmakend boek van de Canadese managementgoeroe Henry Mintzberg de opleiding geen goed gedaan. Ongeveer een jaar geleden publiceerde hij Managers not MBA's, waarin hij onder andere stelt dat de studenten die een MBA volgen te jong zijn, over onvoldoende bedrijfservaring beschikken en de verkeerde vaardigheden aanleren. Management is volgens Mintzberg een ambacht en dat vergt heel wat meer kwaliteiten dan de analyse van bedrijfsgegevens of het ontwikkelen van een strategie. Een goede manager moet volgens hem constant kunnen omgaan met een heel pak problemen, moet mensen motiveren en moet hun werk makkelijker en aangenamer maken. En zoiets kan alleen iemand die al een aantal jaren ervaring achter de rug heeft. Jonge universitairen een fulltime MBA laten volgen heeft dus weinig zin. Al sinds het begin van de jaren negentig passen business-scholen hun programma's aan. Executive MBA's, betaald door het bedrijf, winnen aan belang en ook deeltijdse MBA-programma's worden steeds interessanter. Door op die manier in te spelen op de vragen van bedrijven begonnen de scholen zich echter op een zeer concurrentiële markt te bewegen. Een bij uitstek internationale markt ook. Het aantrekken van buitenlandse studenten is al jaren een absolute topprioriteit van elke zichzelf respecterende managementschool. Ze zorgen voor extra inkomsten en doen de internationale reputatie van de school veel goed. Vandaar dat een interessante positie op de verschillende internationale rankings (The Economist, Wall Street Journal, Financial Times,...) zo belangrijk is. In de VS zijn 20 % tot 30 % van de MBA-studenten afkomstig uit het buitenland. In Europa ligt dat cijfer nog een stuk hoger. In het Spaanse IESE is het aantal Spanjaarden beperkt tot 20 %. Een internationaal getinte business-school mag dan al interessant zijn op het vlak van uitstraling en ook het nodige geld in het laatje brengen, het zijn vooral de executive education-programma's die voor de centen zorgen. Zeker voor Europese business-scholen zijn die programma's in internationaal perspectief belangrijk, omdat ze met hun klassieke MBA's veel moeilijker op de internationale markt kunnen concurreren (zie kader: Europese versus Amerikaanse MBA's). Bij executive education gaat het om korte opleidingen die een soort midcareer-training zijn voor topkaderleden en managers. Vlerick, bijvoorbeeld, biedt 135 executive education-programma's aan die gevolgd worden door meer dan 5000 deelnemers. Bij Vlerick zijn ze goed voor 50 % van de inkomsten (8 miljoen euro). Daarmee sluit de school aan bij het internationale gemiddelde. Die programma's hebben ook het voordeel dat ze zeer populair zijn wanneer er minder wordt ingeschreven op MBA's. Bedrijven sturen hun topmensen naar executive education tijdens de economisch sterke jaren, terwijl MBA's net dan minder in trek zijn. Executive education vormt een zeer aparte markt. Managementscholen moeten hier niet alleen rekening houden met hun rechtstreekse concurrenten. Ook andere spelers proberen een graantje mee te pikken. Managementscholen moeten in het strijdperk treden met executive coaches, consultants of andere private opleidingsinstituten. Dat weten ook de bedrijven die hun werknemers naar zo'n programma sturen. En opleiding wordt voor hen een gewoon product, waarbij er ingewikkelde contracten worden opgesteld met tal van voorwaarden en targets. Bedrijven eisen dat een school een return on investment kan aantonen vooraleer ze voor een executive education-programma kiezen. Alain Mouton"Om de kwaliteit op een voldoende hoog niveau te houden, is overheidsfinanciering niet voldoende."Bedrijven eisen dat een school return on investment aantoont vooraleer ze voor een executive education-programma kiezen.