Waarom hebben regeringen het zo moeilijk om de arbeidsmarkt te moderniseren? Al tien jaar weerklinken in België heftige pleidooien voor meer flexibiliteit én een hogere werkgelegenheidsgraad bij jongeren en oudere werknemers. Daar hoort vaak een remedie bij: beperk de werkloosheidsuitkering in de tijd en geef actieve begeleiding, verkort de opzegperiode, maak overuren aantrekkelijker of annualiseer de arbeidstijd (zodat je bij seizoenspieken langer kunt werken en in de rustige perioden korte werkweken of recuperatieweken kunt inlassen).
...

Waarom hebben regeringen het zo moeilijk om de arbeidsmarkt te moderniseren? Al tien jaar weerklinken in België heftige pleidooien voor meer flexibiliteit én een hogere werkgelegenheidsgraad bij jongeren en oudere werknemers. Daar hoort vaak een remedie bij: beperk de werkloosheidsuitkering in de tijd en geef actieve begeleiding, verkort de opzegperiode, maak overuren aantrekkelijker of annualiseer de arbeidstijd (zodat je bij seizoenspieken langer kunt werken en in de rustige perioden korte werkweken of recuperatieweken kunt inlassen). Welke remedie ook voorgesteld wordt, er worden nauwelijks maatregelen in die richting genomen. "Er komt geen remedie omdat er te vaak om grootse, revolutionaire hervormingen wordt geroepen," commentarieert de Amerikaanse arbeidsmarktspecialist Robert Cox (Universiteit Oklahoma). "Een schreeuw om een grote hervorming stuit op veel tegenstand."Robert Cox is al jaren een observator van de Europese arbeidsmarkt en schoof onder andere het Deense systeem onder de loep. Hij pleit voor kleine stappen, voor langzame hervormingen, die veel efficiënter zijn. Een opmerkelijke stelling voor een Amerikaan. Tijdens een lezing voor de denktank Itinera Institute stelde hij dat kleine, incrementele hervormingen een groter effect kunnen hebben dan een poging om de arbeidsmarktwetgeving volledig om te ploegen. Cox: "In Zweden is het socialezekerheidssysteem nog altijd leefbaar dankzij enkele wijzigingen die bijna onopgemerkt optraden. Zoals de geleidelijke decentralisering van het loonoverleg, de versterkte controle op uitkeringstrekkers of het strenger bestraffen van vervroegde pensionering."Niet echt verrassend wijst Cox Zweden en Denemarken aan als landen die als voorbeeld kunnen dienen voor België. Prompt maakt hij ons attent op een essentieel maar vaak onderschat aspect van het Deense arbeidsmarktbeleid: de sterk gedecentraliseerde werklozenbegeleiding. In Denemarken moeten de gemeentelijke overheden programma's op het getouw zetten om werklozen naar een nieuwe job te begeleiden. Die programma's gaan soms zeer ver. Cox geeft een voorbeeld: "Via het jobcenter van de stad Farum worden langdurig werklozen binnen een werkkader gebracht dat alles heeft van een gewoon bedrijf. Via dat Production House gaan ze aan de slag voor allerlei gewone opdrachten, die kunnen gaan van kleermakerswerk tot de behandeling van goederen. De werklozen leren er de nodige werkattitude. Dresscode is belangrijk. Lange pauzes nemen, kan niet en te laat komen, is uit den boze." Het systeem leidde tot een daling van de werkloosheid in Farum tot 5 %, tegen een nationaal gemiddelde van zowat 8 %. De filosofie: de werkloze moet zijn uitkering verdienen. De gemeentelijke overheden plooien zich dubbel, omdat ze zelf financieel verantwoordelijk zijn voor de werklozenbegeleiding. Cox beseft dat er voor zo'n systeem een brede consensus moet bestaan. "Als je dat wil bereiken, moet je geen grote modellen uitstippelen, want dan haken velen af. Doe het met kleine stappen." Een sterk gepolariseerd debat leidt volgens hem tot het uitstellen van allerlei maatregelen, zoals dat jarenlang in Duitsland het geval was. "Nog een probleem is dat men er in België vanuit gaat dat men het arbeidsmarktmodel vanuit een Scandinavisch land zomaar naar hier moeten overplaatsen. Dat is fout. Het Deense activeringsprogramma verdient alle lof, maar de systemen van vervroegde uittreding zijn een nationale schande. Bijna elke Deen is tegen zijn zestigste met pensioen."A.M.