Dat een alleenstaande werkloze moeder twee keer nadenkt voor ze een matig betaalde baan aanneemt, is logisch. Ze krijgt kosten voor de kinderopvang, verliest de helft van haar kinderbijslag - alleenstaande werkloze moeders ontvangen dubbel kindergeld - en krijgt geen kortingen meer op het openbaar vervoer. De extra centen die ze zou verdienen door te gaan werken, wegen daar meestal niet tegen op. In politiek jargon heet dat de werkloosheidsval. Het is een nevenverschijnsel van onze sociale welvaartsstaat.
...

Dat een alleenstaande werkloze moeder twee keer nadenkt voor ze een matig betaalde baan aanneemt, is logisch. Ze krijgt kosten voor de kinderopvang, verliest de helft van haar kinderbijslag - alleenstaande werkloze moeders ontvangen dubbel kindergeld - en krijgt geen kortingen meer op het openbaar vervoer. De extra centen die ze zou verdienen door te gaan werken, wegen daar meestal niet tegen op. In politiek jargon heet dat de werkloosheidsval. Het is een nevenverschijnsel van onze sociale welvaartsstaat. Toch is dit niet de enige paradox in ons maatschappijmodel. In de eerder Angelsaksische traditie wordt sociale steun zo doelmatig mogelijk gericht op de groepen in de maatschappij die er het meeste nood aan hebben. In het zogenaamde continentale welvaartsmodel daarentegen ligt de nadruk meer op de universele toegang van sociale maatregelen. Zo is er bijvoorbeeld een werkloosheidsuitkering voor iedereen die ooit sociale bijdragen betaalde. Dat verzekeringsprincipe overheerst bij ons, maar we hebben doorheen de jaren ook een aantal Angelsaksische recepten ingevoerd. Zo bestaat er studiefinanciering voor gezinnen met een bescheiden inkomen, hangen de kosten voor kinderopvang af van het inkomen van de ouders en ligt de patiëntenbijdrage voor gezondheidszorg een stuk lager in gezinnen met een bescheiden inkomen. Dat ziet er logisch en rechtvaardig uit. Een wetmatigheid valt daarbij echter niet te omzeilen: hoe meer een welvaartsmodel een doelgroepenstrategie hanteert, hoe minder universeel het systeem is en hoe meer 'valkuilen' er dus ontstaan. Meestal concentreren economen en sociologen zich bij het onderzoek naar die systeemvallen op de relatie tussen de arbeidsmarkt en de werkloosheid. Trends wijzigt het perspectief en onderzoekt of er een 'welvaartsval' bestaat voor hardwerkende Belgen. Als dat zo is, loopt die categorie burgers ondanks haar noeste arbeid zoveel kortingen en subsidies mis, dat ze eigenlijk relatief meer koopkracht verliest dan de rest van de bevolking. Dat zou een rem kunnen vormen op de arbeidsmobiliteit en bovendien de solidariteit kunnen ondermijnen. Met andere woorden: is de middenklasse de klos van het sociale systeem? In 2003 bedroeg in België het mediaaninkomen per belastingaangifte 18.914 euro per jaar. Zo blijkt uit de recentste cijfers van het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS). Het gaat om de inkomsten in 2003 en het NIS berekende voor dat jaar ook het gemiddelde inkomen. Dat bedroeg 24.621 euro. In Vlaanderen lagen die bedragen zelfs iets hoger: een mediaan van 19.764 en een gemiddeld inkomen van 25.620 euro. Dat is het loon van de middenklasse. Of toch bijna, want hoe baken je de middenklasse af? In onze denkoefening vergelijken we vier koppels met elkaar. Beide partners werken, maar niet iedereen zit in dezelfde loonschaal (zie kader: Zo bepaalden we de 4 inkomensklassen). De lonen van drie koppels liggen netjes in de buurt van gewogen gemiddelden die we distilleerden uit de NIS-statistieken. Paul en Petra hebben wat je zou noemen een bescheiden inkomen van 14.155 euro, netto belastbaar. Jan en Cindy zitten met 25.207,80 euro per jaar in de categorie van gemiddelde verdieners. Chris en Ilse zijn grootverdieners met een jaarinkomen van 56.771,60 euro. Eén koppel staat er wat buiten: Kurt en Anja verdienen aardig hun brood en situeren zich met een belastbaar jaarinkomen van 39.814,60 euro aan de bovenkant van de middelmatige inkomens. Zo'n 10 % van de belastingplichtigen geeft een inkomen aan tussen 30.000 en 40.000 euro. Kurt en Anja vormen daarom onze intuïtieve reality check voor de methodologische gemiddelden. Zij zijn de grensgevallen die uiteindelijk het meest gevangen zitten in de welvaartsval. Onze proefpersonen hebben één ding gemeen: ze kennen allemaal een redelijk voorspelbare levensloop. Ze trouwen, krijgen twee kinderen, kopen een huis van 150.000 euro en sluiten een lening af, worden soms wat ziekjes, sturen hun kinderen naar school, een van de spruiten trekt na de middelbare school naar de universiteit en uiteindelijk zien de koppels hun hulpbehoevende moeder belanden in een home. En wat blijkt? Voor de vier gezinnen hangt er wel een erg verschillend prijskaartje aan dat gemeenschappelijke programma. Ons belastingstelsel hanteert tarieven tussen 25 en 50 %. Hoe meer we verdienen, hoe meer belastingen we betalen. En toch kan iedereen een beroep doen op dezelfde pensioenregeling, dezelfde ziekteverzekering en hetzelfde onderwijssysteem. Die solidariteit is de hoeksteen voor onze sociale welvaartsstaat. Zo is 42 % van de totale belastingen afkomstig van de hoogste inkomens van het land, terwijl het totale inkomen van die groep slechts 30,2 % uitmaakt van het totale netto belastbare inkomen dat wordt aangegeven. De rijken dragen meer bij, omdat ze ook meer kunnen betalen. Deze vorm van progressiviteit zit vooral in de personenbelasting en is een primair verdelingsmechanisme van de rijkdom in ons land. De dure sociale zekerheid financiert de overheid overigens slechts gedeeltelijk via de belastingen. De belangrijkste bron van inkomsten voor de sociale zekerheid stamt immers van de RSZ-bijdragen die werknemers en werkgevers betalen bovenop hun netto belastbare inkomen. De bijdrage van de werkgevers laten we in onze berekeningen buiten beschouwing, maar de sociale bijdrage van werknemers (13,07 %) nemen we mee in onze berekeningen. Van beide bijdragen is tenslotte enkel het laatste theoretisch in het bezit geweest van de werknemers voor ze het als solidariteitsbijdrage aan de overheid betaalden. De koppels in het Trendsonderzoek illustreren mooi hoe het solidariteitsmechanisme in de eerste plaats via de personenbelastingen verloopt (zie tabel: De middenklasse betaalt de rekening). Paul en Petra betalen als getrouwd koppel op hun bescheiden inkomen de som van 845,52 euro aan personenbelastingen, 2248,04 euro aan RSZ-bijdragen en 790,54 euro aan onroerende voorheffing. Dat komt neer op 20 % van hun bruto belastbare inkomen. Jan en Cindy moeten daarvoor 10.103,72 euro van hun inkomen ophoesten, of 31 %. Chris en Ilse betalen als grootverdieners nog meer: hun bijdrage aan het systeem bedraagt 29.863,50 euro of 43 % van hun inkomen. Kurt en Anja zitten ertussenin met 18.679,73, of 38 %. Daarbij valt op hoe de middenklasse eigenlijk relatief meer inlevert. Want hoewel het inkomen van de middenklassers Jan en Cindy 67 % hoger is dan dat van de bescheiden verdieners Paul en Petra, moeten ze wel ruim drie keer meer belastingen betalen. Dat progressieve principe - dat de belastingen sneller stijgen dan het inkomen - zet zich ook door als je Jan en Cindy vergelijkt met Chris en Ilse, maar het wordt minder scherp. De grootverdieners betalen weliswaar ook vier keer meer belastingen dan Jan en Cindy, maar de middenklassers verdienen dan ook maar de helft van Chris en Ilse (zie grafiek: Belastingen stijgen sneller dan de inkomsten). Met andere woorden: in absolute termen leveren de rijkere burgers misschien wel de meeste koopkracht in, maar in relatieve termen voelt de middenklasse dat wel harder. Dat is overigens logisch, omdat het belastingtarief geplafonneerd is op 50 %. Het koppel met een bescheiden inkomen, Paul en Petra, doet via het stelsel van premies en kortingen bovendien een goede zaak, zo blijkt. Het ziet zijn koopkracht stijgen met 13 % of 1796,52 euro. De stijging van de koopkracht geldt niet voor de andere koppels. Het koppel met een gemiddeld inkomen, Jan en Cindy, geniet nog veel koopkrachtondersteuning via de premies en kortingen op de betalingen in ons model (universiteit, rusthuis...). Zij moeten slechts 3 % van hun jaarlijkse inkomen uitgeven, of 775,64 euro. Het prijskaartje van datzelfde parcours stijgt bij Kurt en Anja tot 9102,50 euro, of 23 %. Grootverdieners Chris en Ilse krijgen weliswaar iets meer premies omdat ze een groter fiscaal voordeel hebben van hypothecaire lening, maar hebben minder recht op kortingen. Voor hen bedraagt het prijskaartje uiteindelijk 13.383,31 euro, of 24 %. De verschillen tussen werknemers ontstaan door een beperkt lijstje kortingen en premies. De grootte van het gezinsinkomen is bepalend voor de hoogte van een premie of korting. De bedoeling is om het effect van de grote kosten in een mensenleven te beperken voor de sociaal zwakkeren. Op die manier ontstaat er een secundair mechanisme van inkomensherverdeling. Vaak hebben die kortingen en premies betrekking op kindgerelateerde gebeurtenissen. Een bekend voorbeeld zijn de studiebeurzen en de kortingen op de kosten van de kinderopvang. Voor een student in het hoger onderwijs loopt die overheidspremie jaarlijks op tot 3121,17 euro. En zoals iedereen weet, is dat zelfs onvoldoende om een kotstudent in zijn onderhoud te voorzien. Bovendien zijn deze premies en kortingen uiteraard beperkt in de tijd. Je kinderen genieten niet eeuwig van een studiebeurs. Niettemin moeten de grootverdieners deze kosten voor eigen rekening nemen. Een van de belangrijkste elementen waarmee mensen op dit moment hun welvaart kunnen opbouwen, is een eigendom. In onze berekening lenen de vier koppels telkens een bedrag van 150.000 euro voor de aankoop en verbouwing van een eigendom. Drie van de vier kunnen een beroep doen op een sociale lening met een zeer lage rente (1,44 %). Dat scheelt een slok op de borrel: 2912,04 euro per jaar om precies te zijn. Alleen Chris en Ilse kunnen er geen beroep op doen, maar zij genieten dan weer van een hogere effectieve fiscale aftrek van hun hypothecaire lening. Een opvallend facet van de herverdeling zijn ook de kosten van de ziekteverzekering. Op dat terrein krijgt het koppel met het bescheiden inkomen (Paul en Petra) en het koppel met het gemiddelde inkomen (Jan en Cindy) een fikse korting op hun gezondheidsfactuur. Gemiddeld betaalt een gezin van vier personen 1483,85 euro aan remgeld. Onder een bepaalde inkomensgrens daalt de eigen bijdrage van de patiënt van 25 % naar 10 %. Dat is het geval in het gezin van Paul en Petra. De gezondheidszorg neemt een hap van 593,54 uit hun gezinsbudget. Ze besparen met andere woorden 890,31 euro. Sinds de invoering van de maximumfactuur in 2001 bestaat er bovendien nog een extra corrigerende maatregel in de ziekteverzekering. Die plafonneert de eigen bijdragen voor het koppel met een bescheiden inkomen op 650 euro en voor het koppel met een gemiddeld inkomen op 1000 euro. Voor de andere twee groepen ligt de drempel waarop de eigen bijdragen volledig door overheid worden gedragen een stuk hoger (1800 euro). Hoewel de impact van die maatregel niet is meegerekend in het uiteindelijke effect op het beschikbare inkomen per koppel, kan dat in een jaar met een ernstig medisch probleem voor een van de gezinsleden wel degelijk het verschil laten oplopen. En dan is er nog het verrassende element van de mantelzorg. De moeder van een van de partners in elk koppel komt terecht in een rusthuis, terwijl haar pensioen niet de kosten van het verblijf dekt. In dat geval kan het OCMW het verschil terugvorderen bij de kinderen van de moeder. Hoeveel het OCMW kan terugvorderen, hangt uiteraard af van het aantal kinderen, maar ook van het netto belastbare inkomen van het gezin waar die kinderen in leven. Als dat hoger is dan 23.575,79 euro, kan de bijdrage oplopen tot 380,74 euro per maand (zie kader: Hoeveel kost de onderhoudsplicht voor ouders?). Ilse zit in dat geval. Uit recent onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (Oeso) blijkt dat België er beter dan zijn buurlanden in slaagt om het inkomen van zijn armste burgers op te krikken en de inkomens van de rijkste burgers af te kalven. Theoretisch betekent dat: iedereen schuift op naar het midden. Fijn, maar de prijs is niet gelijk verdeeld, zo blijkt uit ons rekenwerk. Vooral voor de hogere middenklasse (Kurt en Anja) resulteert de beperktere toegang tot de inkomensafhankelijke premies en kortingen in een relatieve handicap van hun koopkracht. Relatief, want in absolute waarden ligt die nog boven het gemiddelde. Of niet? Mensen met een gemiddeld inkomen houden 56 % van hun gezamenlijke bruto belastbare inkomen over, terwijl het koppel met een bescheiden inkomen 74 % van zijn inkomen kan behouden. De financiële voorsprong van Jan en Cindy daalt met andere woorden van 13.003,5 euro tot 3819,62 euro. De koopkracht van beide groepen groeit dus duidelijk naar elkaar. Is er dan geen sprake van een welvaartsval voor de middenklasse? Toch wel. In absolute termen ligt de koopkracht van Kurt en Anja lager dan die van het koppel met een gemiddeld inkomen. Nochtans horen ze wel degelijk tot de beter verdienende Belgen, de hogere middenklasse. Hun uiteindelijke besteedbare inkomen valt terug tot 17.778,71, dat is slechts 36 % van hun bruto belastbare inkomen. Op die manier houden ze minder over dan Jan en Cindy, die het met 18.135,07 euro moeten rooien. Dat is de welvaartsval. Roeland Byl