"Limburg heeft een zwak economisch profiel," meent professor Ludo Peeters van het Limburgs Universitair Centrum (LUC). "Er gebeurden weinig duurzame investeringen die de werkgelegenheid verankeren. De Limburgse economie is een mooie stoel waarvan de poten worden afgezaagd."
...

"Limburg heeft een zwak economisch profiel," meent professor Ludo Peeters van het Limburgs Universitair Centrum (LUC). "Er gebeurden weinig duurzame investeringen die de werkgelegenheid verankeren. De Limburgse economie is een mooie stoel waarvan de poten worden afgezaagd." Econometrist Peeters, directeur van het Instituut voor Toegepast Economisch Onderzoek ( Iteo, LUC), is onder meer auteur van de studie 'Sociaal-economische ontwikkeling in Limburg in de periode 1951-2001', die werd geschreven voor de Limburgse Economische Raad. Vlijmscherp analyseert hij de zwaktes van de provincie: een smalle industriële basis, een weinig performante dienstensector en een lage arbeidsproductiviteit. Mijnwerkers worden metaalwerkersDat Limburg een smalle industriële basis heeft, blijkt uit het feit dat de tewerkstelling in de industrie tussen 1975 en 1999 met 18.500 arbeidsplaatsen daalde. Dat gebeurde uiteraard vooral in de sector 'delfstoffen'. Een halve eeuw geleden werkte meer dan de helft van de Limburgse beroepsbevolking in de steenkoolnijverheid en de landbouw. De eerste sector is volledig van de kaart verdwenen, en in de tweede werkt vandaag amper 2,5% van de beroepsbevolking.Het aantal jobs in de metaalverwerkende nijverheid steeg dan weer gevoelig. Vandaag werkt ongeveer 15% van de Limburgers in deze sector, vijf keer meer dan in 1953. De dienstensector steeg met bijna 80.000 jobs en is vandaag goed voor twee derde van de Limburgse werkgelegenheid (de helft meer dan in 1975).Limburg scoort (totnogtoe?) erg goed op het vlak van jobcreatie. De bezoldigde tewerkstelling nam in 1953-1999 jaarlijks toe met 5,1%, terwijl de gemiddelde stijging in Vlaanderen 3,3% bedroeg. "De voorbije jaren moeten de positieve cijfers worden gerelativeerd," waarschuwt Peeters. "Als je abstractie maakt van de seizoenarbeiders in de landbouw, is er zelfs een daling van de werkgelegenheid. Pas sinds kort verschijnt dit soort van arbeid in de statistieken. De sikhs maken het verschil."Peeters is dus allesbehalve optimistisch over de Limburgse werkgelegenheid. Hij stelt vast dat de (positieve) afwijking tussen de stijging in de Limburgse en Vlaamse tewerkstelling tussen 1985 en 1990 vooral significant was in de sectoren textiel, metaalverwerking, transportmiddelen, handel en reparatie, horeca, vervoer, communicatie en diensten. "Volgens de recentste cijfers wijkt vandaag alleen de metaalsector significant af als werkverschaffer," weet hij. "Dat is met andere woorden onze enige troef in de tewerkstelling. In de andere sectoren daalt de werkgelegenheid in vergelijking met de rest van Vlaanderen. Dat is des te schrijnender, als je weet dat het aanbod aan arbeidsplaatsen al 15% lager is dan de vraag. Dat verklaart het hoge aantal pendelaars, zo'n 30.000, vooral naar Brussel."Peeters kan er perfect mee leven dat Limburgers elders een job zoeken. Hij meent dat het niet nodig is om te allen prijze een regionale economie uit te bouwen. Daarvoor is Vlaanderen nu eenmaal te klein. Peeters: "Niemand beweert dat de Limburgers het slecht hebben. Een mooie indicator is de bouwsector, die het hier veel beter doet dan in de rest van Vlaanderen. Dat betekent dat er wordt geïnvesteerd in de toekomst. Als men eerlijk is, moet men ook durven toegeven dat de hoge werkloosheidscijfers vooral een gevolg zijn van de vrouwelijke werkloosheid. Het is de vraag of die dames wel echt actief naar werk willen zoeken." Peeters vermoedt dat de daling in de tewerkstelling gedeeltelijk samenhangt met het wegvallen van de miljardenstroom aan subsidies, na het sluiten van de steenkoolmijnen. "De geldstroom creëerde een positief werkgelegenheidseffect, maar het was van korte duur," zegt hij. "Ik kan niet anders besluiten dan dat er - buiten de investering in de Transnationale Universiteit Limburg (zie blz. 67) - amper duurzame investeringen mee gebeurden. Het reconversiegeld werd zonder veel strategische overwegingen gespendeerd. Vergelijk het met Nederland, waar de reconversie van het mijngebied niet alleen tien jaar vroeger begon, maar ook tot een sterke chemische cluster rond DSM heeft geleid." Het een en ander heeft volgens Peeters te maken met het gebrek aan een gemeenschappelijke visie van de sociaal-economische actoren. "Het VKW, de kamer van koophandel, Unizo... ze gunnen elkaar het licht in de ogen niet," meent hij. "Er was gewoonweg geen consequente, algemeen aanvaarde strategie. Limburg heeft hier een kans gemist." Gebrek aan 'beslissers'Een tweede kenmerk van het economische profiel van Limburg, is het achterblijven van de groei in de tertiaire sector. De bijdrage van de industrie in de totale loontrekkende tewerkstelling is met 27% dubbel zo groot als het percentage in Vlaanderen (1999). Het aandeel van de diensten in de Vlaamse economie (85%) is dan weer meer dan een derde hoger dan in Limburg (62%). Het is dan ook niet verwonderlijk dat de snelstgroeiende bedrijven die de Trends-Gazellenlijst trekken (voor een profiel, zie blz. 65) voor een groot deel in de industriële sfeer zitten: bij de kleine bedrijven gaat het om IBS Industrial (industriële bouwspecialiteiten) en bij de middelgrote bedrijven elektronicaproducent IPTE. Bij de grote ondernemingen is het Bartan die als Ambassadeur werd gekozen. Bartan is beter bekend onder zijn commerciële naam, de kledingketen JBC. Achter Bartan volgen allemaal industriële bedrijven: Moeskops' Bouwbedrijf, ALZ, Nitto Europe, Carglass, FAL Achel. Volgens Peeters hangt de industriële specialisatie van Limburg samen met de aard van de economische activiteiten. "De chief executive officer (CEO) en zijn team, een juridische dienst, een technische directie of de transporttak van een bedrijf hebben alle specifieke diensten nodig," redeneert hij. "Diensten zullen lokaal pas groeien als het aantal beslissers binnen het regionale bedrijfsleven toeneemt. Het feit dat de verhouding industrie/diensten in onze provincie scheef zit, wijst erop dat de Limburgse economie vooral geregeerd wordt vanuit externe hoofdkwartieren. Het is geen toeval dat heel wat TEW'ers die aan het LUC afstuderen, naar andere oorden wegtrekken. Het is dát, of een mindere positie onder de kerktoren uitoefenen."Minder arbeidsproductief?Een derde fenomeen in Limburg is de lage arbeidsproductiviteit. Die wordt gemeten aan de hand van de bruto toegevoegde waarde per loontrekkende. Op basis van de cijfers van 1997 stelt Peeters vast dat de Limburgers 7% minder arbeidsproductief zijn dan het Vlaamse gemiddelde.Dat heeft voor een groot deel te maken met de aanwezigheid van bepaalde industrieën. De toegevoegde waarde is in sommige sectoren immers hoger dan in andere. Antwerpen illustreert dit. Deze provincie is vreemd genoeg de enige die een hogere bruto toegevoegde waarde per loontrekkende heeft dan het gemiddelde over heel Vlaanderen (plus 15%). De toegevoegde waarde van een havenbedrijf is nu eenmaal groter dan die van een transport- of bouwonderneming.Toch weet Peeters dat circa 20% van het Limburgse concurrentienadeel niet door de sectorale mix werd bepaald. "Dit kan op termijn gevaarlijk worden," waarschuwt hij. "Net omdat de afhankelijkheid van de Limburgse economie groot is, kan een lage arbeidsproductiviteit op termijn verzwakking van de concurrentiepositie teweegbrengen."Positief is dan weer het feit dat de sector waarin veel Limburgers werken - de metaalverwerking - net enorm afwijkt (met een factor 1,8) van de gemiddelde toegevoegde waarde in Vlaanderen.Limburg werd rijkerDe negatieve tendensen staan lijnrecht tegenover de belangrijkste evolutie in Limburg tijdens de voorbije vijftig jaar: een enorme welvaartsgroei. In een halve eeuw is het bruto regionaal product - de reële welvaart, met andere woorden - méér dan vervijfvoudigd. Per Limburger is het welvaartspeil met een factor 3,5 vermeerderd. Dat neemt overigens niet weg dat de gemiddelde Limburger een netto fiscaal inkomen heeft dat 5% lager ligt dan dat van de rest van de Belgen (terwijl Vlamingen gemiddeld 5% meer inkomsten hebben dan het nationale gemiddelde).In de periode 1985-1997 scoorde Limburg met een jaarlijkse groei van het bruto regionaal product van 3,8% de helft beter dan Vlaanderen. Peeters berekende wel dat de provincie, in vergelijking met Vlaanderen, rake klappen kreeg tijdens de conjunctuurdip omstreeks 1990. Positief was dan weer een relatief veel sterker herstel van die recessie, in vergelijking met heel Vlaanderen. Peeters: "Over het algemeen doet Limburg het beter, maar het is wel sterker afhankelijk van de conjunctuur."Welke conclusies moeten we uit Peeters' berekeningen trekken? Het Limburgse economische beleid, zoals geformuleerd door de Bestendige Deputatie, richt zich op de versterking van de 'streekeigen kenmerken en accenten van de provinciale subregio's' (zie www.limburg.be/deputatie/vandeput2001-002.pdf). Een Limburgs Strategisch Economisch Ontwikkelingsplan zou tegen einde 2002 de krijtlijnen van de 'endogene' en de 'exogene' groei vastleggen voor het volgende decennium. Peeters: "We zijn stilaan de tel kwijtgeraakt van het aantal sterkte-zwakteanalyses over Limburg. Ik begrijp wel dat de provinciale structuren hun bestaansreden zoeken in economische doelstellingen, maar ik heb toch bedenkingen bij dergelijke theoretische beslommeringen. Uiteindelijk wordt er altijd uit hetzelfde vaatje van het clusterbeleid getapt."Spreiden in plaats van concentrerenOver dat clusterbeleid heeft Peeters zo zijn eigen mening. Hij stelt vast dat er een grote relatieve groei is in een aantal sectoren, maar kan amper een netwerk van toeleveranciers (een cluster, dus) ontdekken in de regio. "Net omdat er weinig clusters waarneembaar zijn, lijkt het me redelijk nutteloos om die te versterken. Volgens mij kan men de economie veel beter dienen door ervoor te zorgen dat álle bedrijven er kunnen opereren. Spreiden, niet concentreren moet de boodschap worden. Zo'n spreiding heeft ook het voordeel dat economische schokken beter - want over een langere periode - worden opgevangen."Helemaal verkeerd vindt Peeters de energie die de Limburgse beleidsmakers steken in het aantrekken of stimuleren van bedrijven uit de ICT, logistiek en multimedia. "Ik heb het gevoel dat Limburg blindelings met de grote hoop meeloopt. Elke regio in de wereld streeft ernaar om die sectoren te stimuleren. Het lijkt me beter dat je daarom net een andere strategie volgt, om te vermijden dat je de concurrentieslag om dit beperkte deel van bedrijfsinvesteringen met de rest van de wereld aangaat."Een ander begrip dat steeds weerkeert in het Limburgse economische vocabularium is de "Euregio" - het economische weefsel rond de centra van Aken, Heerlen, Maastricht, Luik en Limburg. Het vindt weinig steun bij de professor. "Het bestaan van zo'n Euregio veronderstelt dat de onderlinge onafhankelijkheid van de bedrijven over de grenzen heen belangrijker zou zijn dan de relaties binnen één land," poneert hij. "Niets bewijst die stelling. De interactie over de grenzen heen is ondermaats. Conclusie: de Eureregio is een fictie."In plaats van inhoudsloze begrippen achterna te hollen, kan Limburg zich beter op de essentie concentreren, meent de professor. "Limburg heeft amper specifieke troeven die het kan versterken. De provincie drijft mee op de golven van de wereldeconomie. Je kunt dat betreuren, maar je moet er wel rekening mee houden. Minder dan met specifieke acties, kun je de Limburgse economie vooral dienen met het optimaliseren van de algemene vestigingsvoorwaarden: de verbetering van de bereikbaarheid, de verdere uitbouw van het hoger onderwijs, reglementaire transparantie en een efficiënter vergunningsbeleid. Dat vergt een rustige, beredeneerde aanpak. Het is misschien minder sexy om dat te doen, maar beter dan achter vluchtige modieuze tendensen aan te lopen."Hans Brockmans, Lieven Desmet [{ssquf}], hbrockmans@trends.beDe 'Gazellen Awards' voor Limburg werden gisteren in Hasselt uitgereikt. De volgende Trends Gazellen-evenementen vinden plaats op 6 maart in Leuven (Vlaams-Brabant) en op 27 maart in Antwerpen (Antwerpen).Voor meer informatie kunt u bellen naar tel. 051-26 64 13(e-mail: trendsgazellen@roularta.be)eXtra informatie op www.trends.beDe groeipercentages (omzet, personeel en cashflow) van de 200 Limburgse snelgroeiers.De voorbije vijftig jaar is het welvaartspeil van de Limburger met een factor 3,5 vermeerderd.Een betere bereikbaarheid en de verdere uitbouw van het hoger onderwijs zouden de Limburgse economie kunnen stimuleren.Limburg scoort goed op het vlak van jobcreatie. De bezoldigde tewerkstelling nam in 1953-1999 jaarlijks toe met 5,1%.Limburgers zijn 7% minder arbeidsproductief dan het Vlaamse gemiddelde.