In de streek van Kortrijk zakt de mannelijke werkloosheid onder 3 %. Deze toestand komt eigenlijk overeen met de macro-economische doelstelling van totale tewerkstelling. De streek is echter, jammer genoeg, niet representatief voor België. Nog geen twintig kilometer verder zuidwaarts is meer dan één op drie jongeren werkloos. En ook noordwaarts, in dezelfde provincie, blijven de streek van Brugge en Oostende geteisterd door hoge werkloosheid. Deze regio deed de laatste jaren echter opmerkelijke stappen in de goede richting.
...

In de streek van Kortrijk zakt de mannelijke werkloosheid onder 3 %. Deze toestand komt eigenlijk overeen met de macro-economische doelstelling van totale tewerkstelling. De streek is echter, jammer genoeg, niet representatief voor België. Nog geen twintig kilometer verder zuidwaarts is meer dan één op drie jongeren werkloos. En ook noordwaarts, in dezelfde provincie, blijven de streek van Brugge en Oostende geteisterd door hoge werkloosheid. Deze regio deed de laatste jaren echter opmerkelijke stappen in de goede richting. Dagelijks steken meer dan 40.000 Fransen de taal- en landsgrens over om de West-Vlaamse industrie van arbeiders te voorzien. Als dat Walen waren, zou de werkloosheid in Wallonië dalen met 15 %, en de transfers van Vlaanderen naar Wallonië met 10 %. Maar het is veel makkelijker om Fransen over de dubbele grens te krijgen dan Walen over de taalgrens. Hoe komt dat toch? Waarom raken zoveel vacatures niet ingevuld in een land met een half miljoen werklozen? Niet werken loont. Wie echter het ondoorgrondelijke landschap van de fiscale reglementering, de arbeidsreglementering en de werklozenreglementering doorworstelt, verbaast er zich over dat nog zo veel mensen willen werken. De Fransen houden netto ten minste 20 % meer over door lagere belastingen. Bovendien is hun werkloosheidsuitkering beperkt in de tijd, wat de werkmotivatie ten goede komt. Die motivatie is bij de Belgen soms ver te zoeken. Het minimaal gegarandeerde inkomen van een loontrekkende bedraagt 1250 euro. Een werkloos gezinshoofd krijgt minimaal 950 euro. De 300 euro verschil volstaat meestal niet om de bijkomende kosten (transport, kledij, babysit...) te dragen, laat staan de gederfde voordelen (zwartwerk, sociale woning, sociaal abonnement op gsm, verhoogde kinderbijslagen...) te compenseren. Omdat een groot gedeelte van de werklozen slechts in aanmerking komt voor niet-gekwalificeerde beroepen, is het sop de kool niet waard. Maar erger nog: het loutere feit dat men vindt dat deze extra inkomsten niet voldoende zijn om het werk te aanvaarden, is een gegronde reden om de job niet aan te nemen zonder enige vrees om geschorst te worden (artikel 24 van koninklijk besluit van 26 november 1992). De arbeidsreglementering stelt immers dat een arbeidsaanbod niet geschikt is als het inkomen uit die arbeid, na aftrek van eventuele verplaatsingskosten, niet superieur is aan de werkloosheidsvergoeding, inclusief eventueel verhoogde familiebijslagen. Dit alles leidt tot de situatie dat werkgevers aan niet-gekwalificeerde werklozen een aanbod doen volgens de collectieve arbeidsakkoorden, maar dat ze weigeren omdat het voor hen niet genoeg loont. Volgens een arrest van het Rekenhof (14 oktober 2002) ligt de bewijslast bij de RVA en niet bij de werkweigeraars. De wereld op zijn kop. Het recht op arbeid is een fundamenteel recht, ingeschreven in de universele verklaring van de rechten van de mens. Wie dat recht op arbeid niet kan uitoefenen, wordt door de overheid in de geleden schade tijdelijk vergoed. Maar een arbeidsaanbod weigeren omdat het verschil met de werkloosheidsuitkering te klein is, is werkelijk de wereld op zijn kop. Deze redenering gaat er immers van uit dat een werkloosheidsuitkering een onvoorwaardelijk recht is. Dat is niet zo. Deze vergoeding kan enkel worden toegekend aan iemand die in staat is om te werken, beschikbaar is voor de arbeidsmarkt en werkwillig is. Als een arbeidsaanbod wordt geweigerd omdat men niet genoeg extra verdient, is dat een uiting van werkonwillig zijn en worden de voorwaarden niet langer vervuld. We moeten stoppen een sociale politiek - te voeren via het OCMW - te verwarren met een tewerkstellingsbeleid, dat de VDAB moet voeren. Vanuit die optiek is de middeleeuwse opstelling van de syndicaten natuurlijk nefast. Wachten op de centen. Trouwens, vanuit dezelfde benadering moeten wij ons afvragen hoelang wij nog, als enige land van Europa, de levenslange werkloosheid kunnen garanderen. In mijn boek Vlaanderen-Wallonië, je t'aime moi non plus beschrijf ik het verjaardagsfeestje van Georges, die op 65 jaar met pensioen gaat en er prat op gaat dat hij nog nooit heeft gewerkt, maar daar altijd voor vergoed is geweest. " Il faut être fou, Monsieur, pour vouloir travailler", vat hij zijn leven samen. Zulke omstandigheden kunnen alleen maar in België. Voeg aan die federale reglementering het overwicht van oud-links in Wallonië toe en we kunnen begrijpen waarom één op drie Waalse jongeren werkloos is en één op zes Waalse kinderen noch mama, noch papa, noch opa ooit heeft zien werken. En op het einde van hun 'studies' (52 % van de Belgische werklozen maakt de middelbare school niet af) moet men volgens de wet maar één ding doen om in aanmerking te komen voor een uitkering: wachten. Liefst intussen niet werken of bijscholen, anders dreigt de wachtperiode te worden verlengd. En zo wordt de toon gezet voor een nieuwe generatie Georgeskes. Met zo'n reglementering moeten we ons er niet over verwonderen waarom zoveel vacatures openblijven, maar wel hoe het komt dat vacatures voor laaggekwalificeerde beroepen überhaupt nog ingevuld geraken. Wachtperiode afschaffen. Het aanpassen en correct toepassen van de federale wetgeving, hopelijk in afwachting van Europese harmonisatie, heeft voorrang op regionalisatie. Schaf die wachtperiode af en organiseer de arbeidsmarkt op zo'n manier dat jonge schoolverlaters aan de bak kunnen komen, desnoods via jobs van algemeen belang. We moeten werklozen ervan overtuigen dat arbeid geen sanctie is waar ze zich best met alle middelen proberen aan te onttrekken, maar een middel om duurzaam uit de armoede te raken en levenszin op te bouwen. Dat dit niet altijd van een leien dakje loopt en dat ze 's morgens moeten opstaan, moeten ze er natuurlijk bij nemen. Daarvoor is een stok achter de deur niet onmenselijk, maar soms heilzaam. De auteur is secretaris-generaal van het Vlaamse Departement Economie, Wetenschappen en Innovatie. Hij schrijft deze column in persoonlijke naam.Rudy Aernoudt