Roeland Byl
...

Roeland BylVoor wie het nog niet weet: audities zijn de meest onverbiddelijke vorm van sollicitatie. Het is Darwin op z'n best, only the strong survive. Dat heb ik zelf kunnen vaststellen toen ik een reportage maakte over Koen Augustijnen tijdens zo'n auditie. Hij zocht toen dansers voor zijn nieuwste voorstelling. Verbijsterend internationaal was de opkomst. Tientallen kandidaten uit alle hoeken van de wereld gaven het beste van zichzelf. Een bloedmooi meisje uit Japan legde me uit dat ze haar kans waagde in Vlaanderen omdat de moderne dansgezelschappen hier tot de wereldtop behoren; denk aan Les Ballets C de La B en Rosas. Het illustreert dat een kleine regio ook groot en vernieuwend kan zijn en dat zoiets net zo goed mogelijk is in de kunsten als in de wetenschap of het bedrijfsleven. Zou de gemiddelde Japanner die Gent bezoekt eerst denken aan de genetisch gewijzigde plantjes van Marc Van Montagu of eerder aan het Lam Gods in Sint-Baafs? En nog zo één: is Magritte bekender dan Barco? Volgens Vlaams parlementslid Bart Caron is cultuur meer dan de zogenaamde kers op de taart. "Cultuur is helemaal geen overbodige luxe, maar noodzaak", schrijft hij in zijn nieuwste boek Niet de kers op de taart. Bart Caron is Vlaams volksvertegenwoordiger voor Groen! uit Ieper. Hij heeft een verleden bij het ter ziele gegane Spirit, is bestuurder bij talrijke culturele organisaties en was kabinetschef bij voormalig minister van Cultuur Bert Anciaux (sp.a). Caron was de eeuwige discussies over het elitaire karakter van cultuur en de subsidiehonger van de kunstenaars beu. Daarom schreef hij een boek om de maatschappelijke meerwaarde beter uit de verf te laten komen. In Vlaanderen zijn er ook mensen die vinden dat we het Nederlandse voorbeeld moeten volgen. De regering-Rutte heeft fors het mes gezet in de subsidies van wat Geert Wilders als een 'linkse hobbyclub' bestempelt. De cultuursubsidies gingen daardoor bij onze noorderburen bijna met een kwart naar beneden. Het gevolg is dat verscheidene gezelschappen, orkesten en ensembles in hun voortbestaan zijn bedreigd. "Dat zie ik in Vlaanderen niet meteen gebeuren", zegt Caron. "Hier heerst geen klimaat van revanchisme zoals in Nederland. Eigenlijk zijn nagenoeg alle partijen het eens over het belang van de cultuursector." En toch maakt de sector zich zorgen over de besparingsdruk bij de Vlaamse regering. Dat komt omdat ook in Vlaanderen de jongste jaren is gesnoeid. De kaasschaafmethode van de regering-Peeters liet de cultuursector in twee jaar tijd tussen 5 en 10 procent inleveren. In 2011 moest de sector het met 57,5 miljoen euro minder doen. Geld dat vooral de kleinere organisaties echt konden gebruiken. Daaraan voegt Caron toe: "In de cultuursector wordt elke euro meestal wel twee keer omgedraaid alvorens hem uit te geven. Nog een keer de kaasschaaf door de sector halen, is geen optie." Maar dat is, beloofde Kris Peeters, helemaal niet aan de orde. De sector heeft al voldoende ingeleverd. Het budget voor Cultuur behelst trouwens amper 2 procent van de Vlaamse begroting. De hele subsidiepot voor cultuur weegt met zijn 500 miljoen euro relatief weinig op de begroting van de Vlaamse regering, die meer dan 25 miljard euro bedraagt. Is er dan geen ruimte voor besparingen in de cultuursector, mijnheer Caron? "Uiteraard is er altijd wel ergens efficiëntiewinst mogelijk", geeft hij toe. "Maar het algemene beeld van een cultuursector die belastinggeld verspilt, klopt niet. Het culturele aanbod is al voor 70 procent niet-gesubsidieerd en de sector haalt middelen uit de markt. Dat zou misschien in sommige gevallen professioneler kunnen gebeuren, maar de professionalisering is volop aan de gang." Ontegensprekelijk schuift de entertainmentsector op in de richting van meer vrije markt. Rendement is er niet langer een vies woord, al is dat niet altijd in puur financiële termen te meten. Volgens Bart Caron moet de overheid een corrigerende rol spelen. Dat wil zeggen: kwetsbare, kwaliteitsvolle artistieke creaties die in een marktlogica onmogelijk zijn, ondersteunen zodat ze wel kunnen. Dat is niet altijd weggesmeten geld. Subsidies hebben een indirecte economische impact, zegt de Amerikaanse onderzoeker Richard Florida. Hij wist de jongste jaren aan te tonen dat meer cultuur en creativiteit in een regio een positief effect hebben op de economische welvaart. Een en ander is te verklaren door het belang van hoog opgeleid personeel in een diensteneconomie. Zulke mensen verkiezen blijkbaar om te leven op plaatsen waar ze ook over een cultureel aanbod beschikken. Maar ook de directe economische impact van de culturele sector valt niet te ontkennen. In april 2011 publiceerden Flanders DC en de Antwerp Management School een rapport over de tewerkstelling in de zogenaamde creatieve industrieën in Vlaanderen. Daaruit bleek dat de ruim 120.000 mensen die in de creatieve sectoren werken, samen goed zijn voor een toegevoegde waarde van 7 miljard euro. Dat is toch 3 procent van het bruto binnenlands product. Uiteraard gaat het niet alleen om de gesubsidieerde cultuurwereld maar ook om de typische industrietakken als mode, design, media, enzovoort. Maar gesubsidieerd betekent niet dat er geen economische meerwaarde mogelijk is. Zo blijkt dat de podiumkunsten in Vlaanderen werk verschaffen aan 4600 mensen die samen een omzet draaien van 1,6 miljard euro. De Leuvense onderzoeker Bart Van Looy houdt zich ook bezig met de economische relevantie van cultuursubsidies. Hij ziet cultuur als een onderdeel van de innovatie-economie. Anders gezegd: de commercialisering van het internet is maar op kruissnelheid gekomen in de jaren negentig nadat het eerst twee decennia een sluimerbestaan had geleid in gesubsidieerde onderzoekskringen. Op dezelfde manier kan gesubsidieerde cultuur op termijn economisch toegevoegde waarde bieden. "Er is duidelijk een spill-over van de kunstwereld naar de reële economie", zegt Van Looy. "De gesubsidieerde choreografie van Rosas heeft bijvoorbeeld de commerciële videoclip van Beyoncé beïnvloed. En de Noord-Italiaanse designbedrijven zouden niet zijn ontstaan zonder designers als Alessi." Van Looy onderzocht ook de marktgerichtheid van de klassieke muziek. Hij vergeleek Amerikaanse met Vlaamse orkesten. Blijkt dat Amerikaanse orkesten 43 procent van hun budget halen uit de verkoop van tickets en aanverwanten. De rest van hun budget is afkomstig van donaties. En Vlaamse orkesten? Die halen 42 procent van hun budget uit de markt en de rest zijn vooral subsidies. "Het verschil is dus niet zo groot", besluit Van Looy. "Want die donaties kunnen in de VS ook worden afgetrokken van de belastingen. Ze zijn dus ook een soort publieke middelen. Het grote verschil zit in het proces van funding, niet in de hoeveelheid overheidsmiddelen." Bart Caron berekende dat elke Vlaming ongeveer 53 euro per jaar bijdraagt aan de cultuursubsidies. Uit onderzoek blijkt dat 81 procent van de Vlamingen nooit naar een voorstelling of tentoonstelling trekt. Heel wat Vlamingen betalen dus belastingen voor iets waar ze geen gebruik van willen maken. "Dat is loze kritiek", zegt Caron. "Natuurlijk is dat zo, maar in een voetbalstadion is dat niet anders. Je meet de kwaliteit van een bos toch ook niet aan het aantal wandelaars? Dat is nu eenmaal ons maatschappijmodel. We betalen ook allemaal voor de weginfrastructuur of de gezondheidszorg, terwijl we er niet in gelijke mate gebruik van maken." Investeren of besparen in cultuur is met andere woorden veeleer een ideologische dan een rationele keuze. De directe economische impact van de culturele sector valt niet te ontkennen.