De scherpe daling van de olieprijs vanaf de tweede helft van 2014 was een opmerkelijke gebeurtenis op de grondstoffenmarkten. Tot midden vorig jaar schommelde de prijs van een vat ruwe olie (Brent crude uit de Noordzee) al ruim drieënhalf jaar tussen 100 en 115 dollar. Met dat niveau lekenalle partijen tevreden te zijn. Voor de producenten lag de prijs voldoende hoog om nieuwe investeringen te stimuleren en de reserves uit te breiden. Aan de vraagzijde was de prijs niet laag genoeg om de economie echt te kunnen stimuleren, maar ook niet te hoog om de groei te belemmeren.
...

De scherpe daling van de olieprijs vanaf de tweede helft van 2014 was een opmerkelijke gebeurtenis op de grondstoffenmarkten. Tot midden vorig jaar schommelde de prijs van een vat ruwe olie (Brent crude uit de Noordzee) al ruim drieënhalf jaar tussen 100 en 115 dollar. Met dat niveau lekenalle partijen tevreden te zijn. Voor de producenten lag de prijs voldoende hoog om nieuwe investeringen te stimuleren en de reserves uit te breiden. Aan de vraagzijde was de prijs niet laag genoeg om de economie echt te kunnen stimuleren, maar ook niet te hoog om de groei te belemmeren. Tussen juni en januari 2015 viel de prijs van een vat Brent-olie terug van 115 dollar tot minder dan 48 dollar -- een daling met bijna 60 procent. Met de groeiende output in de Verenigde Staten en Rusland zat de overproductie er al een tijdje aan te komen. Instellingen als het Internationaal Energie Agentschap (IEA) hadden een tragere groei van de vraag voorspeld. De OPEC zette iedereen op het verkeerde been door tijdens de daling geen krimp te geven en de correctie verder in de hand te werken. Het kartel was tot dan toe altijd de stabiliserende factor aan de aanbodzijde, maar deze keer nam het die rol niet op. Daarna namen speculanten het over en werd het aan de markt overgelaten om een evenwichtsprijs te bepalen. De handelsvolumes op de futuresmarkten (termijncontracten) schoten meteen in de hoogte. Dat verklaart niet de prijsdaling op zich, maar grotendeels wel de omvang ervan. Het blijft koffiedik kijken of de bodem nu echt is bereikt. De meeste analisten zijn heel sceptisch over de rally van de jongste weken. Maar daartegenover staat dat bijna niemand de voorafgaande daling -- en dan vooral de omvang ervan -- had zien aankomen. Het overaanbod zal alvast op korte termijn niet verdwijnen, want de daling van het aantal actieve boortorens laat zich pas na een aantal maanden voelen in de productiecijfers. De Amerikaanse zakenbank Goldman Sachs blijft geloven dat de prijs van een vat Amerikaanse WTI-olie het grootste gedeelte van de eerste jaarhelft rond 40 dollar zal blijven schommelen. De bank verwees daarbij naar het overaanbod en de hoge voorraden. Pas als de groei van het aanbod afneemt en de voorraden normaliseren, ziet Goldman Sachs de prijs weer in de richting van de marginale productiekosten evolueren. Dat is de prijs om één extra vat olie te produceren. Voor WTI-olie liggen die marginale productiekosten op ongeveer 65 dollar en voor Brent-olie op 70 dollar. De zakenbank verwacht die beweging ten vroegste eind 2015. De prijzen van geraffineerde producten als benzine, diesel en huisbrandolie lopen gelijk met die van ruwe olie, maar de schommelingen zijn niet zo groot. Huisbrandolie corrigeerde tussen de top en de bodem met 38 procent, om daarna weer op te veren met 23 procent. Huisbrandolie kost nog altijd bijna een kwart minder dan vorige zomer. Bij benzine en diesel zijn de verschillen een stuk kleiner. Een inzicht in de prijsmechanismen is onontbeerlijk om die prijsbewegingen te verklaren. In 1974 hebben de federale overheid en de Belgische Petroleum Federatie (BPF) in een programmaovereenkomst een methode vastgelegd om maximumprijzen te berekenen. Het is de bedoeling dat elke relevante kostenpost om aardolieproducten van de producent tot de eindgebruiker te brengen, in rekening wordt gebracht. De belangrijkste is de prijs van het afgewerkte product op de internationale markten. Daarnaast worden transportkosten en een distributiemarge meegerekend. Uiteraard zijn er nog de vele belastingen, zoals de accijnsrechten en de btw. Op alle aardolieproducten is een btw-tarief van 21 procent van toepassing. De accijnzen worden per product vastgelegd en zijn in principe niet afhankelijk van de olieprijs op de internationale markten. Het accijnstarief is veruit het laagst bij huisbrandolie en het hoogst bij loodvrije benzine. Diesel zit daar ergens tussenin. De impact van wijzigingen in de productprijs is dus het hoogst bij huisbrandolie. De gevolgen van een prijsstijging op de maximumprijs aan de pomp zijn het kleinst voor loodvrije benzine, omdat de prijs grotendeels bestaat uit accijnzen. Bij prijsdalingen geldt het omgekeerde. De accijnzen en heffingen worden nog aangevuld met bijdragen zoals die voor de financiering van strategische voorraden, het Sociaal Verwarmingsfonds voor stookolie en het Bodemsaneringfonds voor benzine en diesel. Ruwe olie en aanverwante producten worden op de internationale markten in dollar verhandeld. De euro is sinds deze zomer met een vijfde in waarde afgenomen tegenover de dollar. We moeten dus meer betalen in euro voor dezelfde hoeveelheid aardolieproducten. Dat verklaart voor een belangrijk deel waarom de prijsdaling van ruwe olie en aanverwanten in euro een stuk minder groot was dan in dollar. Door het samenvoegen van die prijsparameters komt een maximumtarief tot stand. Wat u aan de pomp of aan de stookolieleverancier betaalt, ligt meestal onder die maximumprijs, afhankelijk van het kortingenbeleid van de aanbieders. Daarbij moet de korting tegenover de maximumprijs verplicht worden vermeld. In 2003 voerde de federale regering met een programmawet de mogelijkheid in om de accijnzen aan te passen. Eerst ging het enkel om een verhoging, later werd ook een verlaging mogelijk. Bij het zogenoemde positieve kliksysteem worden dalingen van de maximumprijzen niet volledig doorgerekend aan de consument. De helft wordt omgezet in een extra belasting door de bijzondere accijns te verhogen. Bij het negatieve kliksysteem worden de accijnzen verlaagd als de maximumprijs stijgt boven een bepaalde grens. Prijsstijgingen worden dus niet volledig doorgerekend naar de eindgebruiker, maar gecompenseerd door een lagere belasting. Dat negatieve kliksysteem werd enkele keren toegepast op diesel om de transportsector wat extra ademruimte te geven. Sinds 1 januari 2012 werd het systeem afgeschaft. In het regeerakkoord van vorig jaar werd afgesproken het positieve kliksysteem voor het eerst sinds 2011 weer toe te passen op diesel. Die maatregel zou het autogebruik ontmoedigen en tegelijk ook wat extra geld naar de schatkist doen vloeien. Maar door de lagere brandstofprijzen haalt de fiscus veel minder geld uit accijnzen en btw op brandstof. Het is dan ook niet uitgesloten dat bij de begrotingscontrole later deze maand de invoering van het kliksysteem, momenteel voorzien voor 1 januari 2016, wordt vervroegd. KOEN LAUWERSDe impact van wijzigingen in de olieprijs is het hoogst bij huisbrandolie.