"Pover." Zo kunnen we in één woord de resultaten van de jongste Europese top in Barcelona samenvatten. Toegegeven, de staats- en regeringsleiders beslisten dat industriële klanten uiterlijk tegen 2004 vrij kunnen beslissen hoeveel energie ze bij wie kopen. Maar de gewone consument moet op een soortgelijke beslissing wél wachten tot na de Franse en Duitse verkiezingen - waarmee nogmaals is aangetoond dat de nationale politieke situatie van grote landen de Europese agenda blijft bepalen.
...

"Pover." Zo kunnen we in één woord de resultaten van de jongste Europese top in Barcelona samenvatten. Toegegeven, de staats- en regeringsleiders beslisten dat industriële klanten uiterlijk tegen 2004 vrij kunnen beslissen hoeveel energie ze bij wie kopen. Maar de gewone consument moet op een soortgelijke beslissing wél wachten tot na de Franse en Duitse verkiezingen - waarmee nogmaals is aangetoond dat de nationale politieke situatie van grote landen de Europese agenda blijft bepalen. Nog in Barcelona werd afgesproken dat de pensioenleeftijd tegen 2010 omhoog moet naar 65 jaar. Een maatregel die kan worden samengevat als: too little, too late. Elke pensioenspecialist zal u immers vertellen dat, om het huidige pensioenstelsel betaalbaar te houden, een verhoging van de pensioenleeftijd tot boven de 65 jaar nodig is en dat dit best lang voor 2010 gebeurt. Zoals bekend wil Europa op termijn 's werelds meest performante economische blok worden, maar wat dat betreft, leverde de top van Barcelona nauwelijks iets concreets op. In een beleid dat zo'n ambitieuze doelstelling moet waarmaken, zullen energie- en arbeidsmarkten altijd een belangrijke plaats innemen. De Europese toppolitici zijn zich bewust van die situatie, maar onder druk van machtige nationale belangengroepen - gaande van Electricité de France tot de machtige Duitse vakbond IG Metall - komen ze er blijkbaar niet toe om ingrijpende maatregelen te nemen. Het wordt hoog tijd dat de Europese excellenties zich realiseren dat de concurrentiekracht van hun economieën sterk onder druk staat. Raymond Barre, tussen 1978 en 1981 eerste minister van Frankrijk, verwoordde het in een recent interview met de International Herald Tribune als volgt: "Het grote probleem van de Franse economie is de dualiteit tussen de dynamische privé-sector in de industrie, de diensten en de landbouw enerzijds en de lethargie van de publieke sector anderzijds. Die publieke sector vertegenwoordigt bijna de helft van de Franse economie en teert op bureaucratie, centralisatie en lethargie. Als we daar niets aan doen, zal de publieke sector steeds meer gaan invreten op de slagkracht van de dynamische sector van de economie. Verwacht bovendien niet dat men naar aanleiding van verkiezingen iets aan die prangende problematiek zal veranderen. Daarvoor wegen de stemmen van degenen die zulke veranderingen vrezen veel te zwaar door." Iedereen weet dat niet alleen Frankrijk, maar zowat alle lidstaten van de Europese Unie onder de overheidsbureaucratie gebukt gaan. Veel meer dan in de Verenigde Staten en Japan weegt in Europa de overheidssector zwaar door. De overheid slokt vandaag méér middelen op dan de gemeenschap terugkrijgt in de vorm van goederen, diensten en infrastructuur. Nochtans bulkt het binnen de overheidssector van de inefficiënties. Die hebben niks te maken met de kwaliteit van de mensen in overheidsverband, integendeel. Veel overheidsambtenaren zien met lede ogen de verloedering van hun diensten plaatsgrijpen. Het ontbreekt ze niet zozeer aan middelen maar wel aan een oordeelkundige verdeling van de beschikbare middelen en vooral aan een kader dat stuwing naar efficiëntie en voorkoming van verspilling aan de bron wegneemt. Daar is veel meer voor nodig dan wat we in België bijvoorbeeld van het Copernicus-plan mogen verwachten. Johan Van Overtveldt