Het boek "De losbandige jaren" heeft alles om een bestseller te worden : beknopt, kristalhelder, controversieel, penetrant en scherpzinnig. Je zou het integraal willen citeren. Toch wordt het slechts mondjesmaat in de media besproken. Wie voelt zich op de lange politieke tenen getrapt ?
...

Het boek "De losbandige jaren" heeft alles om een bestseller te worden : beknopt, kristalhelder, controversieel, penetrant en scherpzinnig. Je zou het integraal willen citeren. Toch wordt het slechts mondjesmaat in de media besproken. Wie voelt zich op de lange politieke tenen getrapt ? In Le Soir van 6 september 1993 stond een markante bekentenis : "Ik voel me buitengewoon gepijnigd bij de gedachte aan de manier waarop België tijdens de jaren tachtig functioneerde. (...) Van 1975 tot 1981 hebben we gewerkt op een manier die niet ernstig was. On a zwanzé. On a broubelé. Ik voel dat als een schuld op mij wegen. (...) We hebben de aanpassingen te laat doorgevoerd en we hebben het deficit laten oplopen. Kortom, we hebben alles verknoeid." Deze zelfkritiek stamt van voormalig PSC-voorzitter Gérard Deprez. Jan Bohets, journalist en commentator bij De Standaard, verwijst naar die uitlating halverwege zijn essay De losbandige jaren. Daarin schuift hij het sociaal-economische beleid van de jongste halve eeuw genadeloos onder de loep. POTVERTEREN.Tijdens de onderzochte periode registreerde België de grootste welvaartstijging uit de geschiedenis met een verviervoudiging van de reële koopkracht. In de jaren zeventig werd die prestatie evenwel overschaduwd door een economische malaise, die zich begin jaren tachtig en de voorbije jaren, mutatis mutandis, herhaalde. Die schaduw had nooit zo donker en lang hoeven te zijn indien de Belgische beleidsmakers accuraat en snel gereageerd hadden. Daartoe misten ze de politieke moed. Er werd gepotverteerd. De titels van de hoofdstukken liegen er niet om. In Als Don Juan de kuisheid predikt wijst Bohets erop dat het onzindelijk omgaan met het geld van de belastingbetalers en de geldschieters niet eens een monopolie van een bepaalde regering of van de nationale politici was. Enkele steden en gemeenten maakten het zo mogelijk nog bonter, terwijl de regeringen van Tindemans tot en met Eyskens (1981) zelfs geen begin maakten om dat lokale wanbeleid te saneren. Vanaf 1974 sloegen alle stoppen door. Nochtans veroorzaakte de eerste oliecrisis op zich slechts het prijsgeven van zes maanden economische groei. "Het zou toen voor de hand gelegen hebben een sociaal pact te sluiten om de lichte verarming over de bevolkingsgroepen te verdelen. In werkelijkheid gebeurde het omgekeerde : alle groepen probeerden ze op de anderen af te wenden." Tijdens die losbandigheid stegen de loonkosten in de Belgische privé-sector in twee jaar met 45 %. "Het sein voor een niets ontziende afbraak van werkgelegenheid was daarmee gegeven." Op dat werkgelegenheidsverlies werd al evenmin correct gereageerd. Ondernemingen in moeilijkheden, althans degene die voldoende politiek gewicht in de schaal legden, werden gul gesubsidieerd. Zo sukkelde men naar begin jaren tachtig, toen de malaise een dieptepunt bereikte.DUBBELE ERFZONDE.Bohets overloopt grandioos de absurde capriolen van de communautaire wafelijzerpolitiek met als orgelpunt de aanleg van een petrochemisch centrum in Feluy tegen alle geo-economische logica in. "Wallonië moest als het ware schadeloos worden gesteld voor de ligging van Vlaanderen aan zee en moest worden gemaritimiseerd." Alles toeschrijven aan het communautaire trammelant wil Bohets beslist niet. Maar het belette wel dat het beleid tijdig werd bijgestuurd. "België schoot in feite vijf jaar later wakker dan de meeste andere industrielanden." Op een sluwe manier maakt de auteur duidelijk dat niemand vrijuit gaat aan de dubbele Belgische erfzonde (schuld en werkloosheid). De ondernemingen namen de subsidies aan en kochten sociale rust via het zo vaak bezongen Belgische overlegmodel. Bohets heeft het over een coalitie tegen de werkgelegenheid. Partij 1 : de werkgevers investeren in machines om hun duur belaste werknemersbestand uit te dunnen, waarbij de kosten zoveel mogelijk doorgesluisd worden naar de overheid. Partij 2 : de overheid lost die kosten op door (onder meer) de arbeid nog zwaarder te belasten. Partij 3 : de werknemers en hun vertegenwoordigers kiezen doorgaans voor koopkracht in plaats van voor arbeidsdeling. De vakbondsleiders weten dat het beleid over een andere boeg gegooid moet worden, maar hebben het moeilijk hun centrales te overtuigen, aldus Bohets. Het resultaat ? Er is een heroïsche bereidheid tot betalen vereist. De slinkende groep actieven moet opdraaien voor de groeiende massa uitkeringsgerechtigden én de overheidsschuld. Zo stevenen we af op een vreemd soort duale maatschappij : "De kinderen van de gegoeden erven de openbare schuld én het particuliere vermogen. De kinderen van de minder gegoeden (of van degenen die niet hebben gespaard) ervan alleen de schuld." LUC DE DECKER Jan Bohets, De losbandige jaren. Lannoo, 123 blz., 495 fr.