Hebt u een kind fiscaal ten laste, dan wordt een extra deel van uw inkomen van belasting vrijgesteld. Voor één kind is dat 1.690 euro, voor twee kinderen 4.340 euro en voor drie kinderen loopt de belastingvrije som op tot 9.730 euro. Voor kinderen in co-ouderschap geldt een bijzondere regeling. Logischerwijze wordt de belastingvrije som waarop een kind in co-ouderschap recht geeft, voor de helft toegekend aan iedere co-ouder. De ouder bij wie het kind gedomicilieerd is, staat de helft van het belastingvoordeel af aan de andere ouder. Beide co-ouders gebruiken hiervoor een speciale rubriek op de belastingaangifte: rubriek B 2 en 3 van het vak II. Maar wat als één co-ouder, ondanks de verdeling, toch het volledige voordeel claimt in de belastingaangifte?
...

Hebt u een kind fiscaal ten laste, dan wordt een extra deel van uw inkomen van belasting vrijgesteld. Voor één kind is dat 1.690 euro, voor twee kinderen 4.340 euro en voor drie kinderen loopt de belastingvrije som op tot 9.730 euro. Voor kinderen in co-ouderschap geldt een bijzondere regeling. Logischerwijze wordt de belastingvrije som waarop een kind in co-ouderschap recht geeft, voor de helft toegekend aan iedere co-ouder. De ouder bij wie het kind gedomicilieerd is, staat de helft van het belastingvoordeel af aan de andere ouder. Beide co-ouders gebruiken hiervoor een speciale rubriek op de belastingaangifte: rubriek B 2 en 3 van het vak II. Maar wat als één co-ouder, ondanks de verdeling, toch het volledige voordeel claimt in de belastingaangifte? De fiscale co-ouderschapsregeling, dat wil zeggen: de verdeling van het fiscale voordeel voor kinderen in co-ouderschap, wordt toegepast wanneer twee bij wet gestelde voorwaarden vervuld zijn: de co-ouder heeft een onderhoudsplicht jegens het kind en de huisvesting van het kind is gelijkmatig verdeeld over beide co-ouders. Die gelijkmatig verdeelde huisvesting moet ofwel zijn vastgelegd door de rechter in een vonnis, ofwel door de co-ouders in een onderlinge overeenkomst (EOT). In dat laatste geval moet ook de verdeling van het fiscale voordeel uitdrukkelijk gestipuleerd zijn. In het geval van een vonnis hoeft dat niet. Tot nu werd aangenomen dat de verdeling van het fiscale voordeel een automatisme is zodra de wettelijke voorwaarden vervuld zijn. Anders gezegd: de fiscale co-ouderschapsregeling is dwingend en de co-ouders kunnen er nadien niet zomaar van afwijken. Dat is trouwens bevestigd zowel door de rechtbank te Brussel als door het hof van beroep van Antwerpen: "De fiscale wet is van openbare orde. Wanneer de wettelijke voorwaarden vervuld zijn, gebeurt de verdeling van de belastingvrije sommen automatisch." Zodra de gelijkmatig verdeelde huisvesting vastgelegd is in een vonnis, moet het fiscale voordeel voor het kind in co-ouderschap dus altijd bij helften worden verdeeld over de co-ouders, zelfs als de feitelijke situatie nadien evolueert en het kind de facto verblijft bij slechts een van de ouders. Dat is, of liever was, ook het standpunt van de fiscus. Een eerste barst in de automatische toepassing van de fiscale co-ouderschapsregeling kwam er twee jaar geleden. Toen oordeelde het Hof van Cassatie dat wanneer de gelijkmatig verdeelde huisvesting vastgelegd is in een vonnis, maar dat vonnis verder niets bepaalt over de verdeling van het fiscale voordeel, de verdeling geen verplichting maar een mogelijkheid is. En nu wordt dat automatisme helemaal overboord gegooid. Onlangs is de minister van Financiën over de materie ondervraagd. Hij stelt uitdrukkelijk dat zijn belastingadministratie nooit de verplichte verdeling van het fiscale voordeel zal opleggen aan co-ouders, als er in werkelijkheid geen sprake van een co-ouderschap is. Zelfs al zijn de wettelijke voorwaarden voor de fiscale co-ouderschapsregeling vervuld, dan kan één ouder toch de volledige belastingvrije som voor het kind in co-ouderschap verkrijgen, als blijkt dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting fictief is en het kind uitsluitend deel uitmaakt van het gezin van die ouder. En dat kan zelfs wanneer de andere co-ouder de helft van het fiscale voordeel, waarop hij strikt wettelijk gezien recht heeft, in de aangifte vraagt, maar in dat geval niet krijgt. De wettelijke situatie is dus ondergeschikt aan de werkelijke situatie. Juridisch niet helemaal correct, maar het nieuwe standpunt getuigt wel van realiteitszin. In gevallen van louter papieren co-ouderschap vermijdt het frustraties en ergernis bij de co-ouder die na verloop van tijd alleen instaat voor haar of zijn 'kind in co-ouderschap'.