De financieel-economische realiteit verandert dezer dagen razendsnel. Ook de betere analisten en economen komen daardoor al eens op het verkeerde been te staan. In twee hoogwaardige publicaties viel daarvan een mooi voorbeeld te noteren. Het gaat om de berichtgeving en duiding over China in Foreign Affairs en in The Economist. Het eerste tijdschrift is de tweemaandelijkse publicatie van de prestigieuze Council on Foreign Relations en The Economist heeft als algemeen weekblad (laat de naam u niet misleiden) naar onze bescheiden mening nergens ter wereld zijn gelijke.
...

De financieel-economische realiteit verandert dezer dagen razendsnel. Ook de betere analisten en economen komen daardoor al eens op het verkeerde been te staan. In twee hoogwaardige publicaties viel daarvan een mooi voorbeeld te noteren. Het gaat om de berichtgeving en duiding over China in Foreign Affairs en in The Economist. Het eerste tijdschrift is de tweemaandelijkse publicatie van de prestigieuze Council on Foreign Relations en The Economist heeft als algemeen weekblad (laat de naam u niet misleiden) naar onze bescheiden mening nergens ter wereld zijn gelijke. Het openingsartikel in Foreign Affairs van januari/februari is van de consultant Roger Altman, die onder Bill Clinton fungeerde als onderminister van Financiën. Onder de titel 'The Great Crash, 2008' argumenteert Altman dat deze diepe financiële crisis de twee grote westelijke mogendheden, de Verenigde Staten en de Europese Unie, zware economische en geopolitieke klappen zal toebrengen. Vooral China, aldus Altman, zal daarvan profiteren, niet het minst omdat het land 'relatief onbeschadigd' zal blijven in deze barre crisis. De meer dan 2000 miljard dollar aan officiële wisselreserves maken dat het land sowieso een vooraanstaande rol zal spelen in de internationale initiatieven die zich stilaan aankondigen. Uit Altmans artikel kan men afleiden dat de auteur eind november, begin december de finale versie van zijn artikel moet hebben geredigeerd. Een kleine twee maanden later wijdt The Economist, meer bepaald in het nummer van 31 januari 2009, zijn coververhaal aan 'Asia Shock: Where the crisis is hitting hardest'. De cijfers die The Economist in diverse artikelen over de crisis in Azië op een rijtje zet, verwijzen de fameuze ontkoppelingstheorie definitief naar de prullenmand. Volgens deze theorie kennen landen als China, India en andere Aziatische tijgers een zo sterke eigen groeidynamiek dat de financiële crisis en zelfs een recessie in het westen niet echt remmend kunnen werken. We hebben nooit begrepen hoe verstandige mensen dergelijke hocuspocustheorie konden aanhangen: als een economisch model sterk draait op export, zoals nadrukkelijk het geval is voor de meeste Aziatische groeicoryfeeën, dan kan het toch niet anders dan dat een sterke vraagterugval bij de grote afnemers (de VS, de EU en Japan) negatief inwerkt. De cijfers van The Economist over de Aziatische conjunctuur doen de Amerikaanse en Europese recessiecijfers bijna als de hemel op aarde lijken. Zelfs de krimp met 3,8 procent van de Amerikaanse economie in het vierde kwartaal van 2008, oogt meer dan behoorlijk in vergelijking met de diepe beken rode inkt die in Azië vloeien. Op basis van de gegevens van datzelfde kwartaal moet het woord recessie daar plaatsmaken voor depressie: Zuid-Korea -21 procent, Singapore -17 procent en Japan -10 procent. Na 13 procent reële groei in 2007 wijst alles erop dat China in het vierde kwartaal van 2008 geen groei meer realiseerde. De evolutie van de elektriciteitsproductie doet zelfs nog erger vermoeden. In zijn jongste herziening van de prognoses voor 2009 verwacht het IMF 6,7 procent groei voor China, zelfs als de Chinese autoriteiten hun stimuleringsplan van ruim 500 miljard dollar (of ongeveer 15 procent van het Chinese bbp) snel, integraal en efficiënt uitvoeren. Gegeven het stroeve politieke systeem en de onwaarschijnlijke corruptie in China zou zelfs een gedeeltelijke voldoening aan die drie voorwaarden al een huzarenstukje zijn. Een ernstige terugval van de groei, laat staan een echte recessie, zal verregaande gevolgen hebben voor de Chinese maatschappij. Informele bronnen geven aan dat het IMF rekening houdt met 50 miljoen bijkomende werklozen in China tegen de zomer. Velen van hen trekken terug naar het platteland waar vaak nog ontluisterende armoede heerst. Zij die in en rond de steden blijven rondhangen, hebben geen enkele vorm van sociale zekerheid. Bovenal biedt het politieke systeem in China geen enkele mogelijkheid tot participatieve discussie rond deze sociale wantoestanden. De elite in Peking kent enkel keiharde repressie als middel tegen zulke onvrede. Een aloude wet van de internationale politiek zegt dat een land met een sterk militair apparaat vaak externe afleiding zoekt voor interne moeilijkheden. Komt een intern noodlijdend China militair in de verleiding om de hereniging van het vaderland (lees: de verovering van Taiwan) eindelijk af te ronden? Dat zou bij een grote meerderheid van de Chinezen op heel warm applaus kunnen rekenen, maar de internationale toestand nog veel moeilijker maken dan nu al het geval is. Minder explosief maar passend in hetzelfde kader zou het ook kunnen dat China zich bijzonder moeilijk gaat opstellen bij discussies over de hervorming van het internationaal monetair systeem. Het staat in de sterren geschreven dat, bijvoorbeeld, de dringende herkapitalisering van het IMF in belangrijke mate van China zal moeten komen. Lukt dat niet, dan zal de tocht uit het diepe financieel-economische moeras voor de hele wereld (inclusief China) nog veel langer duren. (T) JOHAN VAN OVERTVELDT IS ALGEMEEN DIRECTEUR VAN DE WERKGEVERSORGANISATIE VKW.Johan Van Overtveldt